'Lisalot werd ons zusje'

Milly van den Eijnde (1945) raakte jong haar moeder en zusje kwijt. ‘Als kind ga je na iets droevigs heel gauw verder.’

Rijswijk, ca. 1950 V.l.n.r: 1 Alexander van den Eijnde (1943), civiel ingenieur 2 Autie Wattjes (1923-1952), danslerares 3 Milly van den Eijnde (1945), lerares Nederlands 4 Lisalot van den Eynde (1942), secretaresse

‘Mijn moeder moet hier al ziek geweest zijn. Ze had baarmoederhalskanker en is daar binnen anderhalf jaar aan overleden. Doktoren vertelden je toen vaak niet precies wat je had, en zeker niet dat je er dood aan zou gaan. Dat heeft mijn moeder ten slotte zelf geconcludeerd.

„De foto is gemaakt in Rijswijk, in de studio van de vaste fotograaf van mijn oma. Sinds de scheiding van mijn ouders woonden we bij haar in huis. Mijn moeder was de jongste uit een hecht gezin van acht kinderen, en mijn oma was niets te veel: ze had ook nog twee zonen thuis wonen, het was er altijd gezellig en druk. Mijn moeder kon ’s avonds zonder zorgen om ons naar haar werk. Ze gaf dansles op de school van haar zus. Daar vond ze ook een nieuwe verloofde, Jacques.

„Haar huwelijk met mijn vader was geen succes geweest. Mijn vader was een verwende man, een flirt. Hij werkte wel hard, maar niets hield stand: hij heeft een uitgeverij gehad, een reisbureau, een klusjesdienst. Zijn overspeligheid was voor mijn moeder het grootste probleem. Ze kon het niet verkroppen dat hij niet genoeg had aan haar alleen. Ze was knap, ze had altijd veel aanbidders. Zij was óók verwend.

„In het jaar van hun scheiding bereikte mijn vader een verzoek. Chico, een neef van hem, had jaren in de Congo gewerkt en daar twee dochters gekregen bij een Afrikaanse vrouw. Het oudste meisje, Lisalot, wilde hij nu mee terug naar Nederland nemen. Het idee was dat ze hier een betere toekomst zou hebben. Zelf kon Chico haar niet opvoeden: hij had een volle baan en liep al tegen de vijftig. Of mijn vader dat niet wilde doen. Mijn vader had zijn leven ogenschijnlijk goed op de rails, en zei ja. Toen Lisalot na een spoedcursus Nederlands op een nonnenschooltje in Leopoldville hier aankwam, waren mijn ouders al uit elkaar. Mijn moeder nam haar toch, ook al was ze geen directe familie. Lisalot werd ons zusje, zo voelde dat wel. Ons donkere zusje.

„Van het ziekbed van mijn moeder hebben wij niet veel meegemaakt. Ze kwam in een ziekenhuis in Leiden te liggen. Eerst bezochten we haar nog twee keer in de week, maar dat stopte toen ze echt begon af te takelen en vermagerde – ze wilde niet dat haar kinderen haar zo zouden zien. Ze liet haar broers, haar zussen en haar verloofde allemaal beloven om voor ons te zorgen als ze dood was. En haar zus Els, bedacht ze nog, die moest maar met Jacques trouwen. Dat leek mijn moeder handig. Zo is het ook gegaan. Mijn broer en ik zijn grotendeels opgegroeid bij tante Els en oom Jacques. Ik heb geen slechte herinneringen aan mijn jeugd, integendeel – we zijn goed opgevangen. En als kind ga je na iets droevigs heel gauw verder.

„Voor Lisalot werd na mijn moeders dood alles anders. De familie van mijn vader kwam haar opeisen en heeft haar toen volstrekt tegen haar belangen in uit het huis van mijn oma weggehaald. Dat eindigde in een tocht langs pleeggezinnen en internaten. Lisalot was haar moeder en haar zusje al kwijt, en nu dacht ze ook nog dat wij haar niet wilden hebben. Terwijl ze bij ons altijd is blijven leven. We praatten vaak over haar en we probeerden contact te houden. Toch is ze jarenlang uit ons blikveld verdwenen. Twintig jaar geleden vond ik haar terug. Ik heb sindsdien ook allerlei pogingen gedaan om sporen van haar familie in Congo te vinden. Van Lisalot hoeft dat niet. Zij wil in het verleden berusten.”

Rond haar dijkwoning is eenzelfde situatie als vroeger ontstaan: haar stiefdochter en stiefzoon plus aanhang wonen op hetzelfde erf, haar broer woont drie huizen verderop. Zo lukt het om de zorg voor haar zieke man in eigen hand te houden. Daar is ze blij om.

Heeft u een suggestie voor een familiefoto met verhaal?

Mail naar weekblad@nrc.nl