Lekker aanrommelen met vergankelijke latexlarven

In Edinburgh worden de ‘studioworks’ getoond van de Duits-Amerikaanse kunstenaar Eva Hesse. Na haar dood werden de kwetsbare, gekke groeisels gevonden in haar atelier.

Beeldend kunstenaar Eva Hesse in haar atelier, rond 1965. Foto courtesy the Estate of Eva Hesse Estate of Eve Hesse

Het is moeilijk te omschrijven wat er nu precies ligt in de vitrine van de Schotse Fruitmarket Gallery. Een soort fossiel lijkt het wel, gemaakt van een dun koord dat om een vormeloos object is gerold. Het ding is niet veel groter dan een pistoletje en heeft de kleur van een aubergine. Hoe zwaar het is, valt moeilijk te zeggen, want wat zit er onder het draad verstopt? Het is een nutteloos ding, zoveel is zeker, en echt mooi is het ook niet. Eigenlijk lijkt het voorwerp op niets dat ik eerder heb gezien. En juist daarom maakt het zo nieuwsgierig naar de schepper ervan, de Duits-Amerikaanse kunstenaar Eva Hesse (1936-1970).

Er liggen meer van die onooglijke dingetjes op Hesse’s tentoonstelling Studio Work in Edinburgh. Een stoffen driepoot bijvoorbeeld die nog het meest wegheeft van een zeester – maar dan wel eentje waar allerlei draadjes uit groeien. Ernaast ligt een viezig stukje latex, uitgelubberd als een gebruikt condoom. Na ruim veertig jaar is het materiaal uitgedroogd en vergeeld, en eerlijk gezegd niet meer om aan te zien.

Of Hesse deze objecten ook echt als kunstwerken bedoeld heeft, is niet duidelijk. Nadat de kunstenaar in 1970 op 34-jarige leeftijd aan een hersentumor overleed, werden de spullen aangetroffen in haar New Yorkse atelier. Het waren uitprobeersels, experimenten, modellen, prototypes, onaffe werken die nog geen titel droegen. Hesse’s zus Helen schonk ze in 1979 aan het universiteitsmuseum van Berkeley, dat ook niet zo goed wist wat het met de collectie aanmoest en kunstenaar Sol LeWitt vroeg om er orde in aan te brengen. LeWitt, een goede vriend van Hesse, maakte een selectie tussen wat volgens hem wel en wat niet ‘echte kunst’ was. „Eva was vooral lekker aan het aanrommelen”, zo luidde zijn conclusie.

Briony Fer, de samensteller van de tentoonstelling in de Fruitmarket Gallery, heeft de werken nu omgedoopt tot ‘Studiowerk’. „Ze kunnen nauwelijks voor kunst doorgaan”, schrijft ze in de begeleidende catalogus. Maar, zegt ze ook, de vijftig objecten die hier nu voor het eerst samen getoond worden, geven wel een mooi inzicht in Hesse’s denkwijze en werkproces. „Ze vormen een miniatuurcollectie van haar kunst, en zijn gemaakt in een ongelofelijke variëteit aan materialen en processen, net als haar grotere sculpturen.” De tentoonstelling reist later door naar het Camden Arts Centre in Londen, de Fundació Antoni Tàpies in Barcelona, de Art Gallery of Ontario in Toronto en het Berkeley Art Museum in Californië.

Hesse maakte haar veelomvattende oeuvre in een tijdsbestek van slechts tien jaar, tussen 1960 en 1970. Het waren de hoogtijdagen van Pop Art en Minimal Art, maar Hesse gaf aan deze stromingen en heel persoonlijke draai. Met voor de beeldhouwkunst nieuwe materialen als rubber, was, glasvezel, kaasdoek en polyester creëerde ze haar eigen wereld van gekke groeisels. Door hun zachte huid en hun ronde vormen hadden haar sculpturen vaak iets menselijks, iets sensueels. Heel anders dan de macho objecten van tijdgenoten als Carl Andre en Richard Serra, lang niet zo rigide en onpersoonlijk als de kubussen van Donald Judd en Sol LeWitt.

Sinds die tijd is Hesse een mythe geworden. Net als bijvoorbeeld Frida Kahlo of Francesca Woodman was ze slim en mooi, had ze een tragisch leven en stierf ze jong. „Er is niets in mijn leven dat niet extreem was”, zei Hesse eens. Als tweejarig joods meisje uit Hamburg was ze in 1938 samen met haar zevenjarige zusje op de trein naar Nederland gezet. Via Engeland vluchtte ze vervolgens naar de Verenigde Staten, waar ze in 1939 met haar ouders herenigd werd. Maar kort daarop scheidden haar ouders en in 1946, drie dagen voor Eva’s tiende verjaardag, pleegde haar moeder zelfmoord. Toen eind jaren zestig bij Hesse kanker geconstateerd werd, stond ze net aan het begin van een veelbelovende carrière. Op haar sterfbed, in mei 1970, kreeg ze nog net mee dat haar werk prijkte op de cover van Artforum, Amerika’s belangrijkste kunsttijdschrift.

Het gevaar bestaat dat bij een tentoonstelling als deze alle objecten die Hesse ooit in handen gehad heeft tot een soort relieken worden verklaard. Maar gelukkig is in Edinburgh van dat soort sentimentaliteit geen sprake. Studiowork is een sobere, haast minimalistische tentoonstelling geworden. De verschillende objecten zijn door Briony Fer zorgvuldig in thematische groepjes neergezet in vitrines en op een wit plateau. Op foto’s in de catalogus is te zien hoe Hesse haar spulletjes thuis, in haar atelier aan de New Yorkse Bowery, ook zo gegroepeerd opstelde. Ze gebruikte daarvoor een tafel met zwart-witte vakjes die Sol LeWitt voor haar ontworpen had.

Of het kunst is of niet, doet er dan even niet meer toe. Het zijn fascinerende objecten – mooi zoals ook een schelp of een larve mooi kan zijn. Zelf gebruikte Hesse vaak het woord ‘absurd’ als ze over haar werk sprak. Kunst mocht volgens haar niet te aantrekkelijk zijn. Ze wilde non-kunst maken en was geïnteresseerd in het moment waarop de kijker zou afhaken. Daarom experimenteerde ze met materialen die abject en afstotelijk waren. „Vraag me niet wat ze betekenen of waar ze naar referen”, zei Hesse over haar kunstwerken. „Vraag niet naar wat het werk is, maar kijk naar wat het werk doet.”

Ik zou ze vooral willen aanraken, deze vreemde fragiele hebbedingetjes. Mijn vingers laten glijden over de ruwe huid van die gekke halfronde rubberen kastanjeschillen. Voelen hoe licht de stokbroodvormige schalen zijn die Hesse maakte door papier-maché over een opgeblazen ballon te plakken. Maar dat is nu net wat niet mag, zo staat keer op keer op grote waarschuwingsborden te lezen. Het oeuvre van Eva Hesse is zo kwetsbaar dat het waarschijnlijk niet vaak meer tentoongesteld zal worden. Nog even en haar kunst zal uiteenvallen en vergaan. Zelf had Hesse daar overigens geen problemen mee. „Het leven blijft niet duren, kunst blijft niet duren”, zei ze enkele maanden voor haar dood in een interview. „En dat geeft niet.”

T/m 25 okt in de Fruitmarket Gallery, Edinburgh. Inlichtingen: www.fruitmarket.co.uk