'Ik kan het wel uitschreeuwen'

Oud-premier Dries van Agt (78) kan de rust niet vinden. Volgende maand verschijnt zijn boek over de Palestijnse kwestie. Terreur van Hamas? ‘Makker, het hangt er maar vanaf in welk perspectief je het zet.’

De zomer van 2005 In een Palestijns dorp bij Bethlehem herplantte Dries van Agt in augustus 2005 de stronk van een olijfboom die was omgezaagd voor de bouw van de Israëlische afscheidingsmuur. Links de gedupeerde boer. „Die hele ceremonie heeft me geweldig ontroerd.” In een toespraakje bij de plechtigheid haalde Van Agt (in het Frans) een citaat aan: „Het planten van een boom is een daad van geloof in het leven, een daad van vertrouwen in de toekomst, een daad van liefde jegens de toekomstige generaties die van de vruchten ervan zullen genieten wanneer wij er niet meer zijn.” United Civilians for Peace

‘Ik ben een romantische ziel”, zegt Dries van Agt. We zitten in zijn werkkamer, thuis, in een mooie, groene buurt aan de rand van Nijmegen. De oud-premier is 78. Al bijna dertig jaar speelt hij geen rol meer in de nationale politiek, maar staatsman in ruste is hij nog steeds niet.

„Ik ben een avonturier. Daar heb ik nogal eens een dispuut over met mijn meisje. Zij houdt mij telkens voor: dierbare jongen, je hebt zoveel mee mogen maken, je bent nu bijna tachtig, word toch eens rústig.

„Maar”, vervolgt Van Agt, nu met gespeelde dramatiek, galmende stem en ogen waarin zelfspot gloeit, „ik móet nog. Ik kan er niet mee leven dat ik nog nooit een echt bezoek aan India heb gebracht, waar onze taal vandaan komt, de hele familie van Indo-Germaanse talen – en bovendien zijn natuurlijk hindoeïsme en boeddhisme verbluffend interessant. Ik moet nog naar Iran, eertijds de machtige rivaal van het Romeinse Rijk. En ik moet ook nog eens gaan kijken hoe het is bij de pinguïns op de Zuidpool, en bij de Koerden, daar moet ik ook nog naar toe. Zij zegt: ‘Dat zijn allemaal trekjes van dezelfde, nooit helemaal rijp geworden persoonlijkheid’. Maar het is mijn romantische inslag.”

Aan de muur hangt een portret van koningin Beatrix, bij haar inhuldiging in 1980. In de boekenkast staan foto’s van Van Agt met leiders van weleer: Ronald Reagan, Helmut Schmidt, paus Johannes Paulus II, George H.W. Bush, koningin Juliana en prins Bernhard en de Japanse keizer Hirohito, bij een bezoek van Van Agt en zijn vrouw aan Japan, in 1979.

Een recentere trofee hangt ingelijst aan de muur: een pagina uit de Rheinische Post van afgelopen maart, met daarop een foto van het diner dat de Duitse bondspresident Köhler gaf ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van oud-kanselier Schmidt. Rond de tafel zitten verder onder anderen Angela Merkel, de oud-staatslieden Henry Kissinger, Gerhard Schröder, Giscard d’Estaing, de huidige minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier en naast hem als enige Nederlander de voormalige premier. „We hebben het flink over Palestina gehad. Verhagen vond hij maar een lastige man – daar konden we het niet over oneens zijn.”

Van Agt heeft een stormachtige loopbaan achter de rug. Op zijn 37ste werd hij hoogleraar strafrecht, minister van Justitie op zijn 40ste. Hij was de eerste leider van het Christen Democratisch Appèl, de partij die ontstond uit een fusie van de katholieke KVP, de gereformeerde ARP en de hervormde CHU. Minister-president was hij van 1977 tot 1982. Steeds stond, zoals de biografie Van Agt; Tour de Force beschrijft, „de onnavolgbare Van Agt in het hart van de politieke orkaan”. Toen hij uit Den Haag vertrok, was hij pas 51, jong genoeg om achtereenvolgens nog commissaris van de koningin in Noord-Brabant te worden en ambassadeur van de Europese Unie in Tokio en Washington.

En nu is hij een activist voor de Palestijnse zaak. „Ik beschouw het als een missie”, zegt hij. „Als een plicht. In Nederland bestaat nog veel onwetendheid over het mateloze onrecht dat zich aan het Palestijnse volk voltrekt.”

In de media uitte Van Agt de afgelopen jaren vaak onverbloemd zijn verontwaardiging over het beleid en het militaire optreden van Israël. De voormalige minister-president verscheen op protestbijeenkomsten, hield spreekbeurten, schreef opiniestukken, publiceerde zijn ideeën op een eigen website (www.driesvanagt.nl) en hekelde regelmatig de opstelling van zijn partijgenoten, vooral minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen, voor hun „kritiekloze aanhankelijkheid aan Israël”. Op 10 september verschijnt zijn boek Een schreeuw om recht; De tragedie van het Palestijnse volk. Het is een felle politieke aanklacht, met veel historische uitweidingen en persoonlijke observaties.

Waar komt die gedrevenheid voor de Palestijnen vandaan?

„Daar zijn drie oorzaken voor. Ten eerste ben ik een jong uit het christendom. En ik zie zo immens veel onheil in het heilige land, dat is een absurditeit waarmee niet te leven valt. Aan mijn stemverheffing, die ik niet helemaal controleren kan, hoort u al dat er veel emotie aan te pas komt.

„Ten tweede voel ik mij beschaamd als Europeaan. Dat zeg ik ook altijd als mij het verwijt voor de voeten wordt geworpen: waarom hebt u toch altijd kritiek op Israël? We hebben toch ook Darfur, Oost-Congo, Tibet? Mijn antwoord is dat Europa een dubbele verantwoordelijkheid heeft voor het noodlot dat het Palestijnse volk heeft getroffen. Door het dubbelspel dat vooral de Britten sinds de Eerste Wereldoorlog hebben gespeeld: ze deden de Palestijnen beloftes en bevoordeelden tegelijk de zionistische beweging. En verantwoordelijk is Europa natuurlijk vooral door de Holocaust.

„Ten derde ben ik tot in mijn vezels jurist. We leven in een wereld die in rap tempo globaliseert en daarom meer dan vroeger een vitale behoefte heeft aan ordening, aan internationaal recht. We zien nu dat Amerika en Israël, Amerika in elk geval tot voor kort, zich op een vreselijke manier aan staand internationaal recht vergrijpen.”

Toen u nog in de politiek zat, maakte u zich er niet druk over.

„De bezetting van de Westelijke Jordaanoever was toen al jaren aan de gang, dat is waar. We dachten: Israël heeft het zo besloten, het komt wel goed. Maar we hadden niet door welk plan eraan ten grondslag lag. Dat werd pas duidelijk toen de kolonisatie van het bezette gebied volop zichtbaar werd.”

Toch waren er ook toen al mensen en organisaties, zoals het Palestina Komitee, die protesteerden.

„Dat waren zieners. Maar door ons, het establishment van die dagen, werden ze beschouwd als zonderlingen in de marge van de samenleving.”

Is er een sleutelmoment geweest waarop u besloot dat dit uw missie zou worden?

„Het is begonnen met zelfverwijt. Pas tijdens een traditioneel katholieke bedevaart in het heilige land, eind jaren negentig, brak het besef bij me door dat ik zo lang niets gedaan had aan deze zaak, dat ik geen vinger had uitgestoken, ofschoon ik daartoe tot op zekere hoogte wel in staat was geweest – vooral toen ik minister-president was en minister van Buitenlandse Zaken ad interim [vijf maanden in 1982, red.].

„Bij de Universiteit van Bethlehem, tijdens een lunch met de president van die Palestijnse universiteit, hoorde ik voor het eerst over de nood waarin hun studenten, en de gezinnen waar ze uit voortkwamen, vaak verkeerden. Toen heb ik mezelf zó verweten dat ik er niks vanaf wist, dat ik wel geweldig moest opschieten om al die jaren van onachtzaamheid goed te maken. Ik werd er heel onrustig van.”

U hekelt de muur die Israël heeft opgetrokken en alle checkpoints voor Palestijnen die erdoor willen. Maar maken Israëliërs zich niet terecht zorgen over hun veiligheid?

„Israël is tot stand gekomen in antwoord op het eeuwenlange antisemitisme dat in Europa heeft geheerst, met de Holocaust als culminatie. Tegen die achtergrond is de gedachte begrijpelijk dat Joden eindelijk ergens veilig moeten kunnen leven. Maar objectief gesproken wordt Israël niet meer bedreigd. Niet door Egypte, niet door Jordanië, niet door Libanon. Hezbollah is wel eens hinderlijk, maar geen bedreiging voor het voortbestaan van Israël.”

Voor Israëlische burgers zijn de raketten van Hezbollah een reële dreiging.

„In het noorden van Israël heeft Hezbollah hele nare operaties uitgevoerd. Maar nogmaals: het is geen bedreiging voor de staat Israël. En ik zie niet hoe Hezbollah een rechtvaardiging kan zijn voor de bezetting van de Westelijke Jordaanoever.

„Syrië is ook geen bedreiging voor Israël, en de bedreiging die Irak had kunnen worden is door de Amerikanen van tafel geveegd. Blijft alleen Iran over. Maar hoe kan de potentiële bedreiging die Iran ooit voor Israël kan worden met terugwerkende kracht een rechtvaardiging zijn voor alles wat Israël de Palestijnen sinds 1947 heeft aangedaan? Het bezet houden van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem continueert een soort oorlogstoestand met het Palestijnse volk. Israël maakt het bereiken van vrede onmogelijk.”

Israël probeert zich te beschermen tegen zelfmoordaanslagen.

„Zelfmoordaanslagen zijn een verfoeilijk fenomeen. Maar tot in de jaren negentig kwamen ze niet voor. Bijna een kwart eeuw heeft de bezetting geduurd zonder dat er zelfmoordaanslagen werden gepleegd. Waar kwamen ze vandaan? Israël heeft zich meester gemaakt van het Palestijnse land, het opgesplitst in brokken en brokjes, de economie de nek omgedraaid en ten behoeve van nederzettingen steeds meer Palestijns gebied feitelijk geannexeerd.

„Een volk is volledig gerechtigd zich te verzetten tegen een bezetter. Maar de Palestijnen hebben geen tanks, geen vliegtuigen, geen artillerie, niets. Dan maar zelfmoordaanslagen, zegt men, dan doen we tenminste iets.”

Brengt u mensen werkelijk op andere gedachten over de situatie in het Midden-Oosten?

„Zeker. Bij mijn voordrachten horen mensen dingen waar ze geen weet van hadden, of alleen heel fragmentarisch. Dan wordt in die zaaltjes de verontwaardiging voelbaar.

„Mensen vragen me vaak wat ze kunnen doen. Stampij maken in je eigen politieke partij, zeg ik altijd, want in Den Haag ziet men de zaken heel anders dan u hier.

„Tot voor kort bestond nog sterk het gevoel: het geeft geen pas kritiek te leveren op Israël. Tot in mijn eigen familie. De Joden hebben al zoveel geleden, zegt men dan. Of: ik heb geen zin om uitgemaakt te worden voor antisemiet. Want dat is een grote angst, vooral in de politiek.’’

Het is een verwijt dat Van Agt zelf meer dan eens gemaakt is. „Vooral het CIDI (Centrum voor Informatie en Documentatie Israël) heeft veel uit de kast gehaald om aan te tonen dat ik een antisemiet ben. Ik wou in 1972 immers de Drie van Breda vrijlaten? [de drie laatste gevangen Duitse oorlogsmisdadigers, red.] En dat Menten ontsnapte in 1976 [de Blaricumse kunsthandelaar die later veroordeeld werd voor medeplichtigheid aan massamoord op Poolse Joden, red.], dat ruikt toch ook niet lekker? Tegen zoveel kwade trouw ingaan, is eigenlijk onbegonnen werk.’’

Dries van Agt is altijd moeilijk te classificeren geweest. Hij stond te boek als een progressief jurist toen hij zijn debuut maakte in de Haagse politiek. Maar al snel dreef hij juist op links velen tot wanhoop, eerst als minister van Justitie in de kabinetten-Biesheuvel en -Den Uyl, en vervolgens als premier van een kabinet van CDA en VVD en daarna van het ‘vechtkabinet’ van CDA met PvdA en D66. Vooral de socialisten, onder Joop den Uyl, wisten zich geen raad met de bijzondere combinatie van ironie, ijzeren koppigheid, politiek amateurisme, publicitaire flair en gevoel voor theater van Van Agt.

Zijn activisme voor de Palestijnen heeft hem weer veel linkse vrienden bezorgd, maar stuitte op onbegrip bij de CDA-top. „Ik ben gemarginaliseerd door de partij. Lange tijd heeft de leiding in Den Haag mij beschouwd als een lone wolf, als iemand die met het vorderen der jaren blijkbaar een geestelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt die dan wel niet dadelijk op dementie wijst, maar toch op een zekere vervorming van wat eerder ordelijk in het brein op een rij stond.” Een ander zou zeggen: ze verklaarden me voor gek. Maar Van Agt houdt nu eenmaal van bloemrijk taalgebruik.

Dat hij toch geen eenling is in de christen-democratische gelederen toonde Van Agt dit voorjaar aan. Op de opiniepagina van de Volkskrant pleitte hij voor een hardere opstelling van de Europese Unie jegens Israël, in een artikel dat onder meer de oud-ministers en -eurocommissarissen Hans van den Broek en Frans Andriessen mede ondertekenden. „Ik was blij dat nu duidelijk bleek dat anderen de opvattingen delen waarvoor ik zo virulent opkom.”

Al sinds de verschijning, vorig jaar, van Van Agt, Tour de Force (door Johan Merriënboer, Peter Bootsma en Peter van Griensven) begint Van Agt langzamerhand uit zijn isolement te komen. „De presentatie was in het Catshuis, vriend Balkenende was er van meet af aan sterk bij betrokken. Ik was aangenaam verrast door de manier waarop hij mij terughaalde in de gelederen. Ik kreeg een uitnodiging weer eens te verschijnen op de partijraad, waar hij een belangrijk deel van zijn rede wijdde aan die biografie en dus aan de soms merkwaardige gedragingen van zijn verre voorganger. Voor die tijd had ik nooit enig contact met hem.”

En is dat sindsdien veranderd?

Even is het stil. „Ik was me net aan het afvragen of ik het nu spontaan moest zeggen: het is sindsdien weer hetzelfde.”

Heeft u ooit met hem over Israël en de Palestijnen gesproken?

„Nee, en dat komt mede doordat ik geen spoor van illusie heb dat een gesprek hierover enige invloed zou kunnen hebben op zijn denken. Dat is gebeiteld in graniet. Net als bij zijn minister van Buitenlandse Zaken, van wie ik dat minder goed kan begrijpen. Jan Peter is een zoon van de reformatie, dus van heel jongs af aan opgevoed met de noties van het Beloofde Land en het uitverkoren volk, Gods eigen volk.

„In de kring van de roomsen is dat minder gewoon, Verhagen is mij daarom een raadsel. Telkens weer wekt hij de indruk dat hij op missie is, om niet te zeggen op kruistocht. Hij beschouwt het als een heilig doel van zijn ministerschap om te knokken voor de staat Israël. Er zit echt meer achter dan politieke berekening, het is echte emotie.’’

U heeft een bijeenkomst van GroenLinks toegesproken over de Palestijnen. Uw eigen partij heeft u dat nooit gevraagd. Voelt u zich nog wel voldoende thuis bij het CDA?

„In deze kwestie is het moeilijk. Maar drie factoren houden me toch in het CDA. Ik heb veel aan de partij te danken – en zij ook aan mij, al laat men daar weinig van merken. Het CDA heeft mijn politieke leven bepaald, en eigenlijk ook de rest van mijn leven op aarde. Ik kan de stap niet maken daarmee te breken.

„Bovendien staan in het beginselprogramma van het CDA heel wat zaken die ik waardevol vind. En dat mag je toch niet veronachtzamen als je meent dat de partij op één punt, zij het een belangrijk punt, een verkeerde koers vaart.

„Ten slotte heb ik een opportunistische reden om bij het CDA te blijven. Als ik de partij verlaat, raak ik al mijn politieke invloed kwijt. Het Haagse CDA luistert niet naar mij, maar de leden in het land wél. Dat wil ik niet prijsgeven.”

Uw voormalige vice-premier Hans Wiegel (VVD) heeft uw inzet voor de Palestijnen eens gerelativeerd met de woorden: Ach, een ander gaat na zijn pensioen tuinieren. Steekt dat?

„Hij weet niet hoe diep het bij mij zit. Hij onthoudt zich van stellingname in de zaak zelf. Dat is zijn goed recht. Hij zegt waarschijnlijk: ik begrijp Dries niet, maar het is een aardige kerel. Onze verstandhouding is plus que parfait, altijd zo geweest.”

Twijfelt u nooit over de complexe situatie in het Midden-Oosten?

„In deze kwestie niet. Je hoort wel: waar twee vechten hebben er twee schuld, met de bijklank: even veel schuld. Daar kan ik niet in meegaan. Ik ben niet zo rabiaat dat ik alles goedkeur wat de Palestijnen doen, hoor. Er zijn veel deugnieten en booswichten in het Palestijnse kamp. Maar het totaal dwingt mij tot de conclusie: Israël is hoofdschuldige van dit onheil.”

Is deugnieten en booswichten niet erg zwak uitgedrukt voor Hamas en Fatah?

„Makker, het hangt er maar vanaf in welk perspectief je het zet. Zeker is dat al bij al genomen het aantal Palestijnse burgerdoden een veelvoud is van het aantal Israëlische burgerdoden. Bij de militaire operatie in Gaza, eind vorig jaar en begin dit jaar, zijn honderd maal zoveel Palestijnen als Israëliërs omgekomen. Bij zoveel buitensporig geweld gaat het niet aan louter over zelfmoordaanslagen te praten.”

Met enige aarzeling brengt Van Agt een persoonlijk ongemak naar voren, „een zorg”. „Sinds kort heb ik geen diplomatiek paspoort meer, terwijl dat me een zekere bescherming gaf als ik reisde. Tot voor kort bestond de traditie dat alle oud-ambassadeurs hun diplomatieke paspoort mochten behouden, evenals oud-bewindslieden van Buitenlandse Zaken en oud-premiers. Dat ging wel ver, want het betrof vele tientallen mensen. Bij een recente opschoning van het systeem heeft de minister daaraan een eind gemaakt. Daarbij hebben ook de voormalige premiers, behalve degenen die minister van staat zijn, hun diplomatieke paspoort verloren.”

Heeft u geprobeerd er iets aan te doen?

„Ik heb onze Maxime voorgehouden: er zijn nog maar vier levende oud-premiers. Lubbers en Kok zijn minister van staat, dus die mogen hun diplomatieke paspoort houden. Piet de Jong is al 93 en reist dus niet vaak meer naar het buitenland. Dus, dear Maxime, ik ben de enige die de klos is.

„Maar ja, hij vond het toch moeilijk er iets aan te doen. Ik vind het heel vervelend, niet zozeer vanwege het verlies aan status, al moet je wel een dalai-lama-achtige mate van onthechting van de wereld hebben ontwikkeld om dit niet erg te vinden. Maar het kan praktische consequenties hebben voor mijn bezigheden in Israël en de bezette gebieden. Ik zou daar graag onder bescherming van een diplomatiek paspoort heen blijven gaan.”

Hebben uw jaren als premier u erg veranderd?

„Ik ben me er niet bewust van dat ik een ander mens geworden ben. Maar mijn meisje zegt: je bent ongeduldiger, onrustiger geworden, zakelijker ook, en minder sociaal. Dat is inderdaad zo, maar daar heeft alleen de naaste omgeving last van. De allernaasten met wie je het leven deelt, hebben er wel aan verloren, vindt ze. En ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.”

Wat vindt uw vrouw van uw activisme voor de Palestijnen?

„Ze weerhoudt me niet. Ze vindt het zelfs goed dat ik er zo enorm veel tijd aan besteed, hetgeen voor haar echt offervaardig is. Ze is uitermate waardevol door haar wijsheid. Mijn verontwaardiging over het elke beschrijving tartende onrecht dat zich ginds voordoet, kan ik wel uitschreeuwen. En soms doe ik dat ook. Zij is dan degene die me maant tot matiging.”

Op 10 september verschijnt bij De Bezige Bij van Dries van Agt: Een schreeuw om recht; De tragiek van het Palestijnse volk. Prijs: 19,90 euro.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Piet de Jong

In het interview met oud-premier Van Agt (‘Ik kan het wel uitschreeuwen’, NRC Weekblad, 22 augustus, pagina 7) staat dat zijn voorganger Piet de Jong 93 jaar is. Hij is 94.