'Het is mooi je eigen club trouw te blijven'

Hockeyer Teun de Nooijer (33) staat al jaren aan de wereldtop. Vandaag, aan het begin van het EK, wordt hij recordinternational. En hij is nog lang niet klaar.

Ruim vijftien jaar speelt hij al in het Nederlands elftal. Hij maakte 199 doelpunten en werd drie keer verkozen tot ’s werelds beste hockeyer. Maar de ogen van Teun de Nooijer gaan pas echt stralen als hij vertelt over een onmogelijke balaanname met de backhand van zijn fluwelen stick. Het liefst blind, in de draai. Zoals onlangs met Bloemendaal in de finale om de landstitel, tegen Amsterdam. „Ik kreeg een keiharde stuiterbal, die uit leek te gaan. Uiteindelijk hield ik hem binnen – een klein tikje, zonder te kijken.”

Wat hem nog meer plezier deed was de reactie van oud-sterspeler Taco van den Honert, nu assistent-coach van Amsterdam. „Hij vertelde na afloop dat hij stiekem had geklapt nadat hij eerst om zich heen had gekeken of niemand hem zag. Hij is net zo’n liefhebber als ik. Anderen hebben het waarschijnlijk niet eens gezien.”

Vanmiddag speelt Teun de Nooijer (33), op de eerste dag van het EK in Amstelveen, tegen Polen zijn 402de interland. Daarmee lost de aanvoerder van Nederland Jeroen Delmee af als recordinternational. „Eigenlijk doet me dat niet veel. Het is onze eerste wedstrijd van het EK, dat is veel belangrijker. Maar het is natuurlijk wel het ideale plaatje; in eigen land met familie en vrienden op de tribune.” Mooier vindt hij het dat hij de grens van tweehonderd doelpunten kan passeren, een ongekend aantal voor een veldspeler. „Er zit geen strafcorner tussen. Daar ben ik heel trots op.”

Geen hockeyer heeft zo’n indrukwekkende erelijst als Teun de Nooijer, getrouwd en vader van drie dochters. Maar na al die jaren heeft hij nog geen genoeg van het hockey. Ook niet na de teleurstelling in Peking, precies een jaar geleden, waar hij voor het eerst de olympische finale misliep en uiteindelijk zelfs het olympisch dorp verliet zonder medaille. De verloren halve finale tegen Duitsland en de blamerende ‘strijd’ om het brons tegen Australië (2-6), hadden een „behoorlijke impact” op De Nooijer. „Vooral dat resultaat bezorgde mij een kater.”

Furieus reageerden sommige spelers na die nederlaag tegen Australië, omdat de motivatie in de ploeg zou hebben ontbroken na de uitschakeling in de halve finale tegen Duitsland. „De reacties waren heftig en kwamen voort uit pure teleurstelling. Ik had het geluk dat ik direct naar de dopingcontrole moest, waar ik drie uur in een hokje heb gezeten. Daarna lagen de emoties niet meer op het puntje van mijn tong. Maar die spreek ik eigenlijk nooit openlijk uit, dat zit niet in mijn aard.”

Zelfs een jaar na de Spelen wil de ingetogen De Nooijer zich niet uitlaten over wat er verkeerd is gegaan in Peking. „Natuurlijk hebben we conclusies getrokken, maar die blijven intern.” Zo wil hij ook geen verklaring geven voor het feit dat Nederland weggezakt is naar de vierde plaats op de wereldranglijst, terwijl de ploeg negen jaar geleden nog eerste was. „Je kunt nu eenmaal niet altijd de nummer één zijn”, zegt hij laconiek. „Andere landen willen dat ook.”

Onder de nieuwe bondscoach Michel van den Heuvel – zijn oude coach bij Bloemendaal – begon De Nooijer in januari met een nieuwe ploeg aan een nieuw avontuur. Opmerkelijk genoeg voor zijn staat van dienst is hij nu pas aanvoerder. De Nooijer: „Ik speelde altijd met hockeyers die drie jaar ouder waren. Een van hen was aanvoerder, zoals Marc Delissen en Jeroen Delmee. Ik vond dat prima.”

Dat hij geen natuurlijke leider zou zijn, zoals vaak is gesuggereerd, betwist hij. „Ik heb wel overwicht, dat was een natuurlijk proces en ik denk dat de groep dat ook ziet. Ik ben niet iemand die tierend over het veld gaat, maar Delissen en Delmee deden dat ook niet. Ik doe wat ik kan om te zorgen dat wij de wedstrijd winnen. Als je de controle verliest, werkt dat averechts. Het is beter om even naar iemand toe te lopen en te vertellen wat we moeten doen. Dat heeft meer impact en is positiever.”

Onder Van den Heuvel staat de baltovenaar in het Nederlands elftal weer op de plaats waar hij het liefste speelt, in de spits. Oltmans gebruikte hem als linkermiddenvelder. „Als linksmidden stond ik meer te verdedigen dan aan te vallen, omdat veel teams over de rechterkant spelen. Dat kwam mijn spel niet ten goede. Mijn kwaliteiten liggen in de aanval.” Toch had hij begrip voor Oltmans’ opstelling. Met een lachje: „Het heeft ons uiteindelijk een mooie vierde plek opgeleverd.” Ook hierover wil hij verder niets kwijt.

In zijn lange carrière maakte De Nooijer de complete metamorfose van het hockey van nabij mee, van de familiesport tot een miljoenenbedrijf, met salarissen, contracten, transfers, buitenlandse spelers en begrotingen die het miljoen allang overschrijden. Maar ondanks de aanbiedingen – hij sprak een aantal jaren geleden met Klein Zwitserland – bleef De Nooijer Bloemendaal zeventien jaar trouw. „Ik ga altijd voor het resultaat. Bij Bloemendaal hadden we altijd een team dat kampioen kon worden.”

Hij schroomde er ook niet voor zijn club te waarschuwen toen Bloemendaal zes jaar geleden in zijn ogen te gemakkelijk topspelers liet vertrekken. „Ik was zo’n beetje de enige international. Toen heb ik duidelijk aangegeven: jongens, niet op deze manier. Als je echt tophockey wilt spelen, moet je er ook voor gaan. Dat hebben ze goed opgepakt.”

Onder Van den Heuvel reeg Bloemendaal opnieuw jarenlang de successen aan elkaar, met een mix van Nederlandse toppers en een beperkt aantal buitenlandse sterren, zoals de Australiër Jamie Dwyer en later de Duitse broers Christopher en Philipp Zeller. „Ik vind twee buitenlanders het maximum voor een club als Bloemendaal, maar dat zou bij elke hoofdklasseclub moeten gelden. Dan heb je ruimte voor je eigen jeugd.”

‘De buitenlanders’ staan al jaren ter discussie, vooral omdat sommige clubs er vijf, zes of zelfs zeven onder contract hebben. „Voor die clubs vormen ze een toevoegde waarde, maar voor het Nederlandse hockey? Ik denk het niet.”

Maar bang dat de buitenlanders Nederlandse talenten dwarszitten, is De Nooijer niet. „Die komen toch wel bovendrijven. Dat was vroeger ook. Bij Bloemendaal zaten jongens vijf jaar op de bank doordat er zoveel internationals waren. Dat gebeurt nog maar weinig, de mentaliteit is veranderd. Dat vind ik jammer. Ik vind het mooi als je je eigen club trouw blijft. Ik ben bijna met Bloemendaal getrouwd, ja.” Andere clubs bellen hem al niet eens meer. „Ik heb die keuze voor Bloemendaal absoluut gemaakt.”

De Nooijer schrok dan ook toen eind vorig jaar bekend werd dat zijn club in financiële moeilijkheden was geraakt. Net als bij een aantal andere hoofdklassers drukten de kosten voor de accommodatie, maar ook de spelerssalarissen, te zwaar op de begroting. „Ik ben er wel van geschrokken, ja. De hele club stond trouwens op zijn kop. Misschien hebben de clubs op te grote voet geleefd. En de sponsorinkomsten vielen tegen, mede door de crisis. Maar veel mensen hebben hun schouders eronder gezet, waardoor de club er nu een stuk beter voorstaat. Er is weer een nieuw veld neergelegd.”

Hij wil de schuld voor de problemen niet leggen bij de professionalisering van het hockey. Dat moest gebeuren want het spel is mede daardoor gemoderniseerd en een stuk sneller geworden, zegt De Nooijer. „Ik heb laatst een band uit 1994 bekeken. Alsof we stilstonden. Maar er werd goed gehockeyd.”

Dat het hockey een voltijds baan is geworden, vindt De Nooijer prachtig, maar hij constateert ook dat veel spelers nog steeds voor een maatschappelijke carrière kiezen. „Door de overvolle internationale kalender en de trainingsschema’s die daaraan vastzitten is de belasting zo groot geworden, dat een halve werkweek of studeren bijna onmogelijk is.” Tegelijkertijd kunnen spelers met hun salaris niet teren op een carrière van vijftien jaar. „Het is geen voetbal. Hockey is nog niet ver genoeg ontwikkeld om er vol voor te kunnen kiezen. Je hebt ook jongens die heel weinig geld. Thomas Boerma, die in Peking een vaste waarde was, is gaan werken. Spelers kiezen voor hun carrière terwijl ze nog in het Nederlands elftal kunnen spelen. Dat vind ik zonde. Hij stond als eind-twintiger voor de vraag of hij nog aan de slag zou komen als hij langer bleef hockeyen. Nick Meijer kiest voor zijn studie. Ik begrijp dat, maar het hockey is de verliezer.”

In Amstelveen maakt De Nooijer zich op voor een nieuwe krachtmeting met vooral Duitsland en Spanje, de finalisten van Peking. Met Australië en Nederland vormen zij al jaren de wereldtop, ondanks pogingen van de hockeyfederaties die te verbreden. Maar volgens De Nooijer is de concurrentie wel degelijk groter. „Korea is een ongelooflijk moeilijke tegenstander en Nieuw Zeeland doet het goed.” Ook denkt hij dat Engeland weer zal aansluiten bij de top. „Zij werden in 1988 nog olympisch kampioen. Met de Spelen in Londen komen ze terug. Ze hebben er de spelers voor.”

Hij mist in de top wel de echte hockeylanden India en Pakistan, die nauwelijks meer meetellen. „Om de traditie, maar ook om de cultuur. Ik hoop dat het hockey de rol van het cricket als belangrijkste sport weer kan overnemen.”

Het doet hem daarom goed dat het WK volgend jaar in New Delhi wordt gehouden. Tegelijkertijd maakt hij zich zorgen over de onrust in de regio. Zo werd in maart de bus van het Sri-Lankese cricketteam het Pakistaanse Lahore onder vuur genomen. De Nederlandse ploeg verbleef voor een stage niet ver van die plek, over de grens in India. „Ik heb mijn twijfels over de stabiliteit. Voordat we gaan, willen we alles weten over de regio en over de voorzorgsmaatregelen. We moeten dat professioneel benaderen. De achterblijvers moeten zich geen zorgen hoeven maken.”

Op de lange termijn heeft hij zijn zinnen gezet op Londen (2012), zijn vijfde olympische toernooi. „Natuurlijk wil ik graag naar Londen. Als ik fysiek goed ben, als de situatie thuis het toelaat, als de coach mij goed genoeg vindt.”