Grijze druk op de SER

Over minder dan zes weken moet het er volgens afspraak liggen: het alternatief van de Sociaal-Economische Raad (SER) voor het kabinetsplan om de AOW-leeftijd geleidelijk te verhogen naar 67 jaar. Het is moeilijk voor te stellen dat dit gewichtige adviesorgaan in staat is met een voorstel te komen dat zowel het kabinet tevreden stelt als de bestaande AOW-arrangementen ongemoeid laat.

Alleen een unaniem advies zal indruk maken, wil dit de „zwaarwegende rol” kunnen spelen die het kabinet het zou toekennen bij zijn definitieve besluitvorming. Maar om te beginnen is de voorbereidende ‘ad-hoccommissie alternatief algemene verhoging AOW-leeftijd’ van de SER al verdeeld.

Nu is verdeeldheid bij de SER in de aanvangsfase van een adviesopstelling niet bijzonder en tot op zekere hoogte een ritueel. Vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers zijn het per definitie niet meteen met elkaar eens. Maar zij hebben ook te maken met de positie en politieke kleur van de deelnemende, onafhankelijk geachte Kroonleden.

En dat zijn niet de minsten. Gelet op hun uiteenlopende partijpolitieke voorkeuren staan deze Kroonleden al niet garant voor snelle consensus: respectievelijk CDA, PvdA, VVD, GroenLinks en D66. De Tilburgse hoogleraar Bovenberg bijvoorbeeld is binnen het CDA, en daarbuiten, een invloedrijke econoom met doorwrochte opvattingen over ouderdomspensioenen. De voormalige staatssecretarissen Vliegenthart (PvdA) en Linschoten (VVD) schuwen het debat en de tegenstelling evenmin en hebben in hun politieke leven sociale zekerheid tot specialisme gemaakt.

De opgave is om financiële ingrepen te bedenken die goed zijn voor een bezuiniging van 0,7 procent bbp, oftewel zo’n 4 miljard euro op jaarbasis. Het ligt niet erg voor de hand dat de SER als alternatieve bezuiniging met politiek al even gevoelige dossiers als aantasting van de hypotheekrenteaftrek uit de voeten zal kunnen. De SER doet er daarom vermoedelijk verstandig aan om zich te concentreren op mogelijke aanpassingen van de AOW-regeling zelf.

Zo’n optie zou bijvoorbeeld kunnen zijn om niet alleen een leeftijd van 67 jaar maar ook een arbeidsverleden van 45 jaar als criterium te nemen. Daarmee is meteen een probleem van de baan waarmee het kabinet worstelt: hoe ‘zware beroepen’ zijn te definiëren. Wie jong begint – en veelal zal dat in een ‘zwaar beroep’ zijn – en 45 jaar premie heeft betaald, kan dan op pakweg 61- of 63-jarige leeftijd met AOW. Dat zal op zijn minst een deel van de maatschappelijke bezwaren tegen het AOW-plan van het kabinet wegnemen. Het is daarnaast te hopen dat het kabinet zijn plan erdoor krijgt om werknemers de keuze te bieden om na hun pensioengerechtigde leeftijd door te werken en hun AOW uit te stellen.

Er zijn meer mogelijkheden denkbaar – en nog veel meer haken en ogen, want elke wijziging in het AOW-regiem heeft drastische gevolgen voor wetten en regels op fiscaal en sociaal terrein. Het zou nuttig zijn als de SER zijn denkkracht aan dit soort ideeën wijdt. Want niet alleen de overheidsfinanciën nopen tot hogere participatie van oudere werknemers. Dat doen de demografische ontwikkelingen ook. Als de crisis voorbij is, wordt de ‘grijze druk’ weer voelbaar: te weinig werkenden tegenover te veel gepensioneerden.