Een mondige moslim is hier al snel verdacht

De val van professor Tariq Ramadan als integratieadviseur was niet verrassend. Want wie nu in Nederland zit te wachten op een moslim die wel eens zal vertellen hoe het zit? „Een bruggenbouwer heeft een oever nodig aan de overzijde.”

Foto’s Dirk-Jan Visser Tariq Ramadan, afgelopen voorjaar in het stadhuis van Rotterdam (Photo Dirk-Jan Visser: Rotterdam / 15-04-2009) Persconferentie in gemeentehuis Rotterdam waar college bekendmaakt de samenwerking met Tariq Ramadan te continueren. Dit na uitspraken in de Gay Krant van maart 2009 waar Ramadan verweten wordt Homofobe en vrouwonvriendelijke uitspraken te hebben gedaan. Visser, Dirk-Jan

Als belijdend moslim in Nederland loop je op eieren. En als belijdend moslim weet je dat. „Het lijkt wel alsof je op de koran moet spugen om erbij te horen”, zegt Ibrahim Spalburg. „Er is een groot wantrouwen tussen allochtone en autochtone Nederlanders. Dat komt door uitlatingen van verschillende politici. Maar ook door gebeurtenissen in het buitenland. Het is begonnen in 2001, met de aanval op de Twin Towers. Sindsdien ben je als moslim besmet.”

In dat klimaat verrast de val van de moslimfilosoof Tariq Ramadan niet. Dat zeggen tenminste enkele vooraanstaande Nederlandse moslims. Maar tegenstanders van de Zwitsers-Egyptische filosoof, onder wie ook moslims, vinden hem domweg ongeschikt als ‘bruggenbouwer’ in Rotterdam. Lijsttrekker Marco Pastors van Leefbaar: „Loyaliteit aan de westerse samenleving en dus aan kernwaarden als de scheiding van kerk en staat moeten voorop staan. Voor hem is dat van secundair belang. De koran staat op de eerste plaats.”

De positie van Ramadan als integratieadviseur van de gemeente Rotterdam werd onhoudbaar toen bleek dat hij het programma Islam & Life presenteerde op Press TV, een door het regime in Teheran gefinancierde zender. In dat programma worden maatschappelijke kwesties, zoals vrouwenrechten, kunst in de islam tot telefonische hulplijnen bediscussieerd met een panel deskundigen. Het programma richt zich op moslims in het westen. Press TV zendt uit in het Engels en is alleen te ontvangen via de satelliet.

Iemand die verbonden is aan een Iraanse propagandazender kan geen integratieadviseur zijn voor de gemeente Rotterdam, meent het college. Ook de Erasmus Universiteit kondigde dinsdag aan het contract met de gasthoogleraar per direct te beëindigen. „Ik vond zijn medewerking aan Press TV niet zo slim”, zegt Ibrahim Spalburg, directeur van de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR). „Ik begrijp zijn drijfveren, maar in Nederland is de heersende opvatting: wie betaalt bepaalt. Dat heeft hij onderschat.”

Mohammed Cheppih, onder meer oprichter van de poldermoskee in Amsterdam Slotervaart: „Ik had het niet gedaan. Maar ik ben een Hollander. Ik weet hoe gevoelig die zaken hier liggen.”

Veel gevoeliger dan in het buitenland. Ramadan is ook hoogleraar moderne islamstudies aan de universiteit van Oxford en zal dat blijven. „Vrijheid van meningsuiting is voor de universiteit een fundamenteel recht”, zegt de universiteit in een verklaring over Ramadans rol als presentator bij Press TV.

Ook in Nederland is vrijheid van meningsuiting een fundamenteel recht. „Maar niet voor religieuze moslims”, zegt Cheppih, die vaak voor Ramadan tolkte. „Ramadan is een sterk debater; als hij seculier was, zou iedereen met hem weglopen.” Volgens Cheppih hebben autochtone Nederlanders de grootste moeite met erudiete, welbespraakte, wereldlijke moslims, die tegelijkertijd ook religieus zijn. „Ik merkte het zelfs tijdens een weekendje met vrienden. Ik bid bijvoorbeeld. Maar ik hou ook van lachen en chillen. Niet-moslims zijn zo’n combinatie niet gewend. Ze begrijpen het niet en vinden het daarom eng.”

De vraag is telkens hetzelfde: zijn al die gelovige moslims wel écht zo geïntegreerd als ze zich voordoen, of hebben ze een dubbele agenda? „Ramadan is iemand die zegt dat moslims mee moeten doen”, zegt Abdelhafid Bouzidi (30). „Hij vindt dat ze geen moskeeën met grote minaretten moeten bouwen, maar gebedshuizen die passen binnen de Nederlandse architectuur.” Bouzidi was dit voorjaar een van de oprichters van het landelijke actiecomité ‘Steun Tariq Ramadan’ (circa veertig leden). „Het demoniseren van mondige moslims lijkt wel een trend.”

Niet alleen Ramadan kreeg het verwijt er een dubbele agenda op na te houden. Toen dit voorjaar bleek dat het ministerie van Defensie de Marokkaans-Nederlandse Ali Eddaoudi wilde aanstellen als legerimam, viel half Nederland over hem heen. Eddaoudi had zich in ingezonden brieven in landelijke dagbladen scherp uitgelaten over onder meer premier Balkenende en de Nederlandse deelname aan de oorlog in Afghanistan. Hij had daar later afstand van genomen. Ook Mohammed Cheppih ondervond zelf hoe hardnekkig het imago van ‘een wolf in schaapskleren’ kan zijn, al richtte hij in Amsterdam de poldermoskee op voor geïntegreerde moslims. „Je komt bijna niet meer van dat imago af.”

In een open brief schrijft Ramadan dat het hem niet verbaast dat de beschuldiging dat hij het Iraanse regime zou steunen, alleen in Nederland is opgedoken. „Het lijkt wel of ik in het bijzonder en de islam in het algemeen worden gebruikt ten bate van bepaalde politieke agenda’s bij de komende verkiezingen in Nederland.” (...) „Maar de huidige controverse zegt veel meer over de zorgwekkende toestand van de politiek in Nederland dan over mijn persoon.” Verderop in de brief stelt hij: „Het spreekt vanzelf dat ik het neerschieten van betogers en de onderdrukking na de verkiezingen van juni heb veroordeeld.”

In de colleges die Ramadan gaf, was het dominante westerse denken één van de manieren om tegen zaken aan te kijken, zegt Pepik Henneman, die de masterclasses van Ramadan aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam volgde als medewerker van de universiteit. Hij vond dat een confronterende maar verrijkende ervaring. „We spraken over alles, van kleuterliedjes tot vrouwenbesnijdenis. Alle onderwerpen werden met scherpte en verfijning behandeld. Dit was een groot contrast met het ingegroefde debat over integratie dat ik dagelijks om mij heen hoor in de media, de politiek en op straat.”

Tariq Ramadan is te groot gebleken voor Nederland, vindt oud-wethouder Orhan Kaya, die hem eind 2006 aanstelde als integratieadviseur. „Dit is een van de rijkste landen ter wereld, maar gelet op het niveau van het integratiedebat bekruipt je het gevoel dat we in een ontwikkelingsland leven.” Niet het gezonde verstand, maar de onderbuik regeert, meent Kaya. „De vrijheid van meningsuiting geldt wel voor types als Geert Wilders, maar niet voor een moslimintellectueel van wereldfaam met een heldere mening.”

Maar de vraag is of Ramadan überhaupt wel de geschikte persoon was als integratieadviseur. Anders gezegd: was het wel zo handig om in het verdeelde Rotterdam (47,5 procent migranten) een moslimintellectueel aan te stellen, die vloeiend Arabisch, Frans en Engels spreekt maar geen Nederlands en al helemaal niet de taal van de straat? Als bruggenbouwer was en is de islamoloog „volstrekt ongeschikt”, benadrukt partijleider Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam. „Ramadan is een orthodoxe moslim, een schriftgeleerde voor wie de letterlijke tekst van de koran heilig is. Ik wil best met hem in debat, maar dan gaat het licht wel aan! Dat betekent bijvoorbeeld homorechten accepteren en de strijd tegen de ongelovigen laten varen.”

Fouad el Haji, PvdA-raadslid in Rotterdam, bezocht de afgelopen drie jaar enkele stadsdebatten onder leiding van Ramadan. „Als een Messias daalde hij neer in de zaal, met een boodschap die in weinig opzichten afweek van wat de gemiddelde imam vertelt.” Volgens het stadsbestuur heeft Ramadan in totaal 59 gesprekken geleid, die door drieduizend Rotterdammers werden bezocht. El Haji: „Ik zag vaak dezelfde gezichten. Het gros van de moslims heeft hij niet bereikt, om over de autochtonen nog maar te zwijgen.”

El Haji is niet rouwig om het vertrek van de „pseudowetenschapper”. „Hij heeft een te grote broek aangetrokken.” Hij was simpelweg „niet de juiste man op de juiste plaats”, zegt El Haji. „Ramadan moest van het college een brug bouwen, maar daarvoor is een oever aan de overkant nodig. Die ontbrak. Geen wonder dat hij niet slaagde.”

Een bruggenbouwer kan volgens Bouzidi van het steuncomité alleen succesvol zijn „als twee groepen bereid zijn nader tot elkaar te komen”. De tegenkrachten waren te groot, concludeert hij.

De man op de markt in de multiculturele Afrikaanderwijk kent Ramadan niet, zegt Ibrahim Spalburg. Maar hij bereikte wel mensen die de man op de markt weer bereikten. Hij herinnert zich een bijeenkomst, die zijn eigen organisatie SPIOR organiseerde voor moskeebestuurders. „Turken, Marokkanen, Indonesiërs, Somaliërs; we hadden een grote zaal gehuurd en die zat bomvol.” Hij discussieerde bijvoorbeeld met de aanwezigen over de taal waarin de vrijdagpreek wordt uitgesproken. In veel moskeeën is dat nog steeds de taal van het land van herkomst. In Marokkaanse moskeeën vaak hoog-Arabisch. Jongeren verstaan daar geen woord van. Ramadan vindt dat belachelijk.”

Ramadan was een van de vele stemmen in het integratiedebat, zegt Fatima Lamkharrat, opbouwwerker in de Rotterdamse wijk het Oude Noorden. Ze kent hem goed, ze zat in zijn zogenoemde reflectiegroep van Rotterdammers die met Ramadan bespraken wat er speelde in de stad. Ze was erbij toe hij een jaar geleden met een zaal vol Marokkaanse vaders sprak. Lamkharrat: „Hij had het over criminaliteit en drugsgebruik en wat je daar als vader aan kunt doen. Hij had het over opvoeden en dat daarvoor tijd, aandacht en liefde nodig is. Op een gegeven moment vroeg hij: Wie van jullie zegt wel eens ‘ik hou van je’ tegen zijn zoon?” Ze vond dat heel bijzonder. Marokkaanse vaders zeggen dat niet tegen hun zoons, zegt ze. „Maar hij deed dat wel. En als hij zoiets tegen Marokkaanse mannen zegt, luisteren ze, ze hebben wel respect voor hem.”

Zijn ideeën deelt Lamkharrat vaak niet. „Ramadan vindt bijvoorbeeld dat wij moslims onszelf niet als minderheid moeten beschouwen, maar als Europese burgers. Ik voel me Nederlander, maar ook Marokkaan. En juist uit het laatste put ik inspiratie, kracht en veiligheid. Ik weiger dat op te geven, zeker nu het klimaat in Nederland steeds killer wordt.”