De hamer in onze gereedschapskist

Oorlog is geen primaire menselijke drift die moet worden bevredigd. Het is een middel tot een doel dat ook met andere middelen kan worden bereikt. Maar is de moderne oorlog nog lonend?

NRC Handelsblad

‘Nie wieder Krieg´, scandeerden Duitse pacifisten in de democratische jaren 1918-1933. Vergeefs: Hitler was nog niet aan de macht of hij trof voorbereidingen voor de Tweede Wereldoorlog. Toch voelden Engeland en Frankrijk er niets voor om hem de pas af te snijden, en ze bonden keer op keer in. Het naoorlogse Europa organiseerde een lange vrede, die alleen werd verstoord toen Joegoslavië uit elkaar spatte.

Is oorlog een aflopende zaak, of geldt dat alleen voor Europa? Is democratisering een probaat middel tegen oorlog of lokt dit proces juist massaal geweld uit? En zijn democratieën eigenlijk wel opgewassen tegen oorlogszuchtige autocraten? Onlangs debatteerden drie wetenschappelijke zwaargewichten in Amsterdam over oorlog en vrede.

De aanleiding was een verjaardag. Aan het begin van de zomer herdacht de Universiteit van Amsterdam dat zestig jaar geleden de politiek-sociale faculteit werd opgericht. Het was een postume herdenking, want de roemruchte PSF bestaat niet meer. Reden voor de oprichting, in 1949, was dat Nederland tien jaar eerder onvoldoende was voorbereid op het Duitse expansionisme. Onder het motto ‘dat nooit weer’ moest een nieuwe generatie worden opgeleid tot hoeders van de democratie. De zestigste verjaardag werd gevierd met een seminar over massaal geweld in de loop der menselijke geschiedenis. Een thema van heel lange adem, maar daar schrikken de leerlingen van Norbert Elias niet voor terug. De Amsterdamse historische school buigt zich immers over ‘Het Civilisatieproces’ (Elias, 1939), waarin de mens op de lange duur zijn driften leert beheersen.

De Amerikaanse archeoloog Lawrence Keeley (University of Illinois) beet het spits af. In 1996 publiceerde hij een baanbrekende studie over collectief geweld onder prehistorische volkeren, War before Civilization. Keeley ging in tegen een school van archeologen en prehistorici die, in navolging van de 18de-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau, beweren dat oorlogvoering pas begon met het ontstaan van steden en staten, en dat de prehistorische mens relatief vreedzaam was. “Die pacificering van het verleden was het gevolg van onwetendheid”, zei Keeley. “Men zocht naar versterkingen in en om nederzettingen, maar die werden juist gebouwd op enige afstand van wooncentra. Verder werd er geen paleopathologisch onderzoek gedaan aan menselijk gebeente om de doodsoorzaak vast te stellen. Er werd ook niet goed gekeken of artefacten dienden voor de jacht of voor oorlogvoering.”

Als voorbeeld van verzet tegen herziening van de pacifistische these noemde Keeley de controverse rond ijsmummie Ötzi, die in 1991 hoog in de Ötztaler Alpen werd gevonden. “Een jonge Italiaanse onderzocht hem als eerste. Zij zag iets wat mogelijk een projectiel was achter een wond in de linkerschouder. Maar die mogelijkheid werd heftig bestreden. Ötzi zou zijn omgekomen in een storm terwijl hij aan het jagen was. Waarom? Er was daar boven niets te vinden. Toen Ötzi eenmaal in een conserveringsruimte lag, zijn er complete röntgenfoto’s gemaakt. En wat werd daarop jaren later ontdekt? Een vuurstenen pijlpunt in zijn linkerschouder. En het was een punt die sterk afweek van het type dat hijzelf bij zich had; hij was van een andere groep. Ötzi was het slachtoffer van een vijandelijke aanval.”

Littekens

Recent onderzoek aan wapens, resten van versterkingen en menselijke botten heeft veel nieuwe informatie opgeleverd over gewelddadige sterfgevallen in de Europese en Amerikaanse prehistorie. Antropologisch onderzoek onder jagers en verzamelaars in Australië, in de Kalahariwoestijn en aan de Amerikaanse noordwestkust completeerde het beeld. Intussen zijn de meeste onderzoekers het erover eens dat in deze samenlevingen liefst 25 procent van de volwassen mannen gewelddadig aan zijn eind kwam en dat alle anderen littekens hadden.

Keeley kreeg bijval van de tweede spreker, de Israëlische oorlogshistoricus Azar Gat (Tel Aviv University) . Hij publiceerde in 2005 een monumentale studie, War in Human Civilization. De titel suggereert – onbedoeld, zegt Gat – dat zijn boek is opgezet als een vervolg op dat van Keeley. Gat studeerde geschiedenis in Oxford, maar bekwaamde zich later ook in andere wetenschappen: evolutionaire biologie, archeologie, antropologie, economie en politicologie. Hij had al die onderzoekstechnieken, data en theoretische kaders nodig voor zijn magnum opus over oorlogvoering in de loop der geschiedenis.

De auteur viel in Amsterdam met de deur in huis: “In tegenstelling tot heersende opvattingen was het percentage gewelddadige sterfgevallen in samenlevingen die nog geen landbouw of staat kenden veel hoger dan in moderne maatschappijen. Alleen de wereldoorlogen komen in de buurt.”

Gat gaf een evolutionaire uiteenzetting over oorlog: “Net als andere organismen vechten mensen voor de verwerving of verdediging van begeerlijke zaken. Dat zijn voor Homo sapiens jachtgronden, vrouwen en status. Om die te krijgen kan hij samenwerken, concurreren of geweld gebruiken, afhankelijk van de omstandigheden. Geweld is geen primaire drang die moet worden bevredigd, zoals het verlangen naar voedsel en seks. De Zwitsers en de Zweden hebben al eeuwen geen oorlog meer gevoerd en zij geven er geen blijk van daaronder te lijden. Geweld is een middel om bepaalde doelen te bereiken. En het is een heel gevaarlijk middel, waar alleen naar wordt gegrepen als vreedzamer middelen falen of te kostbaar zijn en als de kansen op succes goed lijken. Geweld is de hamer in onze gereedschapskist, en daarin zitten ook delicater werktuigen.”

Zolang Homo sapiens een jager en verzamelaar was, werd collectief geweld uitgeoefend op kleine schaal, door de ene verwantengroep tegen de andere. Gat: “Met de overgang naar landbouw ontstonden verschillen in welstand en status, en uiteindelijk, uit de gewelddadige competitie van rivaliserende elites, staten. Het kleinschalige geweld van verwantengroepen groeide uit tot georganiseerd, grootschalig geweld: oorlog. Aan gewelddaden binnen de groep, zoals moord en vetes, werd paal en perk gesteld en de competitie met andere staten om grondgebied en hulpbronnen werd georganiseerd. Groepjes verwanten maakten plaats voor ordelijke strijdformaties met een hiërarchische commandostructuur. De verrassingsoverval op een rivaliserende groep jagers had afgedaan; oorlog verliep voortaan via belegering en veldslagen. De kosten van dat alles werden verhaald op de onderdanen. Georganiseerde misdaad en de staat, schreef de socioloog Charles Tilly, hebben twee dingen gemeen: monopolisering van geweld en afpersing in ruil voor bescherming.”

Gat constateert een paradox: “Oorlogvoering door staten bracht een enorme schaalvergroting met zich mee en toch daalden de sterftecijfers als gevolg van massaal geweld. Burgerbevolkingen stonden namelijk minder bloot aan gevechtshandelingen en de deelname van volwassen mannen in de strijdkrachten daalde in vergelijking met tribale samenlevingen. Legers, oorlogen en veldslagen namen absoluut in omvang toe, maar ze werden kleiner in verhouding tot de bevolking als geheel.”

De ene staat voerde meer oorlog dan de andere. De Brits-Amerikaanse historisch socioloog Michael Mann (University of California, Los Angeles), de derde spreker, liet aan de hand van statistieken zien dat Europeanen tussen 1500 en 1945 de meeste oorlogen voerden. Hij tekende daarbij aan: “In de databestanden zijn alleen conflicten meegeteld waarin 1.000 mensen of meer omkwamen in veldslagen. De aantallen inheemse slachtoffers in koloniale oorlogen blijven goeddeels onbekend, dus er zijn alleen koloniale oorlogen geteld waarin de koloniale machten zelf meer dan 1.000 man verloren. En dat was ongewoon. In koloniale oorlogen vielen vooral inheemse doden. In de periode 1871-1914, die bekendstaat als een tijdvak van relatieve vrede tussen de grote mogendheden, voerden de Fransen, de Engelsen en de Nederlanders zeker honderd oorlogen tegen inheemsen. Tweeënhalve oorlog per jaar.”

Mann schrijft die oorlogszuchtigheid toe aan imperiale logica. “Na het jaar 1000 voerden de Europese kernstaten oorlog om de minder ontwikkelde staten en staatloze volken van Europa te onderwerpen. Zij deden dit omdat zij het konden, omdat ze militair beter waren georganiseerd. Ze maakten gebruik van jongere zonen zonder erfgoederen die werden ingelijfd in het leger, van geestelijken om overwonnen volkeren te kerstenen, van kooplieden en van boerenkolonisten. Na de 14de eeuw slokten de grote staten de kleinere op. En dat proces ging door tot in de 20ste eeuw.”

Afnemende oorlogswil

Over de uitwerking van de Industriële Revolutie op oorlogvoering lopen de meningen uiteen. Gat bespeurt een afnemende oorlogswil op rationele gronden: “Economisch ontwikkelde samenlevingen zijn veel minder geneigd om elkaar te beoorlogen. Dat komt omdat vrede winstgevender is geworden. Vroeger was rijkdom eindig, en ging het alleen om de verdeling. Na de Industriële Revolutie groeiden productie en kapitaal met een factor 30. Onderlinge commerciële afhankelijkheid maakt dat het verlies van de één ook dat van de ander is. En er is geen verband meer tussen rijkdom en territorium; verovering is niet langer een voorwaarde om van een gebied te profiteren.”

Volgens Mann wordt oorlog juist steeds minder rationeel. “In de loop van de 19de eeuw lijkt oorlog in Europa af te nemen. De grote mogendheden proberen elkaar in toom te houden door het aangaan van bondgenootschappen. Niettemin worden de legers gemoderniseerd, worden de jongemannen van het continent opgeroepen voor militaire dienst en worden troepen getraind. Jongens worden geprikkeld met verhalen over imperiale avonturen, de paramilitaire padvinderij wordt opgericht en alle leeftijdsgroepen worden opgevoed in een cultuur van militarisme. De Eerste Wereldoorlog werd niet uitgevochten om overzeese rijken of internationale handel. De grote mogendheden hadden hun koloniale disputen langs diplomatieke weg bijgelegd. De kiem van de oorlog die in 1914 uitbrak, lag in Europa zelf, en die was niet rationeel. Het ging niet om grondstoffen en industrieën, maar om ‘geloofwaardigheid’. Men was bang voor zwak te worden versleten en zo belachelijk te worden gemaakt. De onzekerheid van een kleine jongen op de speelplaats. De Eerste Wereldoorlog was het gevolg van een militaristische cultuur. Die is mogelijk ontstaan doordat er eerder rationele gronden waren om ten oorlog te trekken. Maar die cultuur hield stand en werd sterker. Als de enige zinnige oorlog uitzicht biedt op materieel gewin, dan was deze niet rationeel.”

Volgens Azar Gat zijn liberale democratieën de minst oorlogszuchtige samenlevingen. Zij voeren geen oorlog met elkaar, alleen met niet-democratieën en niet-staten, zoals guerrillabewegingen. “In liberale democratieën”, zegt Gat, “worden burgers gesocialiseerd tot vreedzaam, door de wet gestuurd sociaal gedrag in eigen land en ze verwachten dat dezelfde normen worden toegepast in de omgang tussen staten. Hoewel democratische mogendheden ooit grote imperia bestierden, viel het hun steeds moeilijker om over vreemde volken te regeren zonder hun instemming. En omdat zij leven, vrijheid en mensenrechten respecteren, zijn liberale democratieën slecht in onderdrukking. Naarmate het individuele streven naar geluk van burgers de overhand krijgt boven groepswaarden, zijn ze steeds minder bereid hun leven te offeren in een oorlog. Vreedzame beslechting van geschillen tussen staten heeft verreweg de voorkeur en liberale democratieën onderwerpen oorlogvoering aan steeds meer wettelijke en normatieve beperkingen.” Gat spreekt in dit verband van ‘lawfare’. Als democratieën geen alternatief zien voor oorlog, zegt hij, maken zij de minste burgerslachtoffers.

Normen voor oorlogvoering

Mann is sceptisch over de vreedzame werking van democratisering. Hij noemde de Britse zeeblokkade van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog, waardoor de burgerbevolking honger leed; de geallieerde bombardementen op Dresden en andere Duitse steden, waarbij een half miljoen burgers omkwam, en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Gats repliek: “Er is een groot verschil tussen de normen voor oorlogvoering van democratieën en van niet-democratieën. Als de tegenstander uitzonderlijk bruut en gevaarlijk is, zoals Nazi-Duitsland en Japan, gaan de handschoenen uit.”

Mann sneed nog een andere vorm van massaal geweld aan: moorddadige etnische zuivering. Volgens hem is dit een modern verschijnsel en gaat democratisering maar al te vaak gepaard met etnische conflicten. “Niet democratieën, maar democratiseringsprocessen ontketenen massaal geweld. Als staten uiteenvallen in verschillende naties, zoals het voormalige Joegoslavië, moeten burgers plotseling uitmaken wie tot ‘het volk’ behoren en dat kan heel gevaarlijk worden.”

Na afloop van het seminar wil Gat nog wel even doorpraten. Hij erkent dat er een verband is tussen het proces van democratisering en etnische conflicten. “Volkeren die met dwang bijeengehouden werden, zullen, als ze eenmaal hun voorkeur kenbaar kunnen maken, kiezen voor een onafhankelijk bestaan samen met hun nationale verwanten. Vroeger waren ze met zijn allen onderworpen aan een imperiale macht en nu willen ze elk op eigen benen staan. Hetzelfde is gebeurd met de koloniale imperia van het Westen. ”

“Nationalisme was in de 19de en de 20ste eeuw nog een belangrijk motief voor oorlog. Maar het neemt af, vooral door de mate van zelfbeschikking in de ontwikkelde wereld. De politiek daar berust veel meer op consensus en minderheden zijn beter geïntegreerd in de staat. Als minderheden op eigen benen willen staan, kan dat. Niets weerhoudt Schotland ervan zich los te maken uit het Verenigd Koninkrijk. En niets kan voorkomen dat België uiteenvalt als de twee gemeenschappen daarvoor kiezen.”

Democratieën hebben ook hun zwakten, zegt Gat. De weerzin tegen oorlog bij het publiek zet ze op achterstand tegenover niet-democratieën. “Dat Frankrijk en Engeland in de jaren dertig weigerden om Hitler met de wapens een halt toe te roepen, is inherent aan democratisch gedrag. We zien dat nu weer. Democratieën hebben de grootste moeite met mobiliseren en oorlog voeren. Als het moet, doen ze het goed, althans in het verleden. Maar ze deden het in de Tweede Wereldoorlog niet zo goed als Duitsland en Japan, en zelfs niet als de Sovjet-Unie.”

Gat neemt deel aan een debat in Foreign Affairs over de uitkomst van de beide wereldoorlogen. “Sommigen zijn van mening dat de democratieën toen superieur zijn gebleken. Ik zie het anders. De belangrijkste reden waarom de democratieën hebben gewonnen, afgezien van hun bondgenootschap met de USSR in de Tweede Wereldoorlog, was dat de Verenigde Staten zoveel groter waren dan enig ander land. Het is een continent, terwijl de Europese mogendheden middelgrote landen waren. Dit is een toevalsfactor. Zonder de VS had Duitsland beide wereldoorlogen gewonnen. En dan hadden we een heel andere twintigste eeuw gehad en nu een heel andere wereld.

Kanttekeningen

Als gebiedsverovering zijn betekenis heeft verloren en de kosten van een gewelddadige competitie om hulpbronnen niet langer opwegen tegen de baten, rijst de vraag of oorlog nog enig nuttig doel dient. Gat: “De ratio van de moderne wereld maakt dat oorlog niet langer voordeel oplevert. Maar bij die algemene uitspraak moet ik drie kanttekeningen maken. Allereerst zijn er degenen die nog niet zover zijn, die nog niet met succes de weg van de modernisering zijn ingeslagen. Zij stellen de wereld als geheel voor problemen en dat verklaart een deel van de huidige oorlogen.”

Gats tweede kanttekening gaat over nationalisme. “Dat is een gegeven. Mensen verlangen naar nationale zelfbeschikking ongeacht de economische rationaliteit van een dergelijke aspiratie. Als we redeneren in economische termen, zal dit streven in veel gevallen niets opleveren. Maar mensen hebben ook andere overwegingen dan economische.”

Gat maakt nog een voorbehoud bij zijn stelling dat oorlog niet langer loont. “Die stelling veronderstelt vrijhandel. De opening van de wereldeconomie sinds 1945 betekent dat je niet langer een gebied hoeft te controleren om eraan te verdienen. Economisch ligt de wereld nu open. Juist toen de wereldeconomie dichtging in de periode tussen de wereldoorlogen waren de mogendheden uit op grondgebied. Al vóór de Eerste Wereldoorlog zagen ze dit aankomen en de angst daarvoor dreef hen om gebied te bezetten. Als de wereldeconomie zou worden opgedeeld in gesloten imperiale sferen was het zaak om een eigen stuk te bemachtigen. Als de wereld in de toekomst terugvalt in protectionisme, kan opnieuw een situatie ontstaan waarin staten grondgebied en hulpbronnen moeten controleren. Als de wereldeconomie op die manier uiteenvalt, kan de huidige trend naar minder oorlog omslaan.”