Burenruzie aan de Neisse

Guben, aan de Duitse kant van de rivier de Neisse, en Gubín, aan de Poolse kant, vormden ooit één – Duitse – stad. Twintig jaar na de val van de Muur is er geen grenscontrole meer. Maar tussen Guben en Gubín gaapt nog altijd een kloof.

Rechtsonder: de burgemeester van Gubin, verkleed als Caesar, in het kader van een festival. Beeld Laura Starink Starink, Laura

De trompettist op de Dikke Toren in het hart van het Poolse Gubín geeft het signaal. Voor een handvol hoogwaardigheidsbekleders en toegestroomde burgerij opent de Poolse burgemeester het festival aan de rivier de Neisse met een korte toespraak. Een rij houten stoeltjes blijft leeg.

De burgemeester van de verre Duitse zusterstad Laatzen, bij Hannover, is present. Maar de burgemeester van het Duitse Guben, de Siamese tweelingstad van Gubín, heeft niet de moeite genomen even vanuit zijn stadhuis door de Frankfurterstrasse te wandelen en de brug over de Neisse over te steken. Het blijft een Pools feestje. Omgekeerd was de Pool vorig weekeinde ook niet bij het feest in Guben aanwezig. „Ik had geen uitnodiging”, zegt hij droog.

Ik ben terug in Guben, een Duits provincieplaatsje waar de loop van een rivier verstrekkende gevolgen heeft gehad. In de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog is hier fel gevochten tussen Russen en Duitsers. Na de oorlog schoof Polen naar het Westen en werd de smalle Neisse de nieuwe grens.

Maar de rivier stroomt dwars door Guben. Dus werden de Duitsers aan de oostelijke oever uit hun huizen verdreven. Het historische centrum, met de grote kerk en het fraaie raadhuis, werd ingenomen door Poolse vluchtelingen, die verjaagd waren uit Oost-Polen. Op de brug kwam een grenspost. Gubín was geboren.

Het oostelijke deel van Duitsland werd de Deutsche Demokratische Republik. Guben werd omgedoopt in Wilhelm Pieckstad, naar de eerste president van de DDR, die er is geboren. Hoewel Polen een communistisch broederland was uit het Warschaupact, had de strenge DDR geen behoefte aan Poolse anarchie. In de nadagen van de laatste DDR-leider Erich Honecker, toen de oosterburen al te opstandig werden, ging de grens potdicht.

De brug

Na de val van de Muur mocht de brug weer open. Voor het eerst in jaren konden Duitsers en Polen bij elkaar op bezoek. In 1992 ging ik kijken of de Polen en de Duitsers sinds de Wende al weer bij elkaar op de koffie kwamen.

Ik trof destijds een stadje aan dat voorzichtig probeerde de wonden te helen. Duitsers kwamen naar de overkant om te kijken of hun familiehuizen er nog stonden, vanachter de gordijntjes argwanend gadegeslagen door Polen die bang waren dat ze hun bezit kwamen terugeisen. Scholen en ziekenhuizen gingen voorzichtig samenwerken. Leraren probeerden historische clichés te ontzenuwen. En de twee gemeentebesturen hielden onwennig hun eerste gezamenlijke vergaderingen. Poolse bureaucratie snuffelde aan Duitse vormelijkheid.

De enige brug over de Neisse lag middenin het centrum en was dag en nacht verstopt met ronkende vrachtwagens. Guben zag er DDR-degelijk uit, schoon, sober maar goed onderhouden. Gubín oogde alsof de oorlog net was afgelopen: de grote kerk was een ruïne, huizen waren verwaarloosd, hele stukken land lagen braak, overal bloeide onkruid. Maar de Poolse markt was spotgoedkoop en de Duitsers gingen er graag boodschappen doen.

De werkloosheid was aan beide kanten heel hoog (officieus zo’n 30 procent). Maar de Polen keken veel zonniger naar de toekomst dan de Oost-Duitsers. De Polen vierden onbekommerd hun nieuwe vrijheid, de Oost-Duitsers voelden zich vernederd en ingelijfd door hun rijke westerburen. Polen was armer en viezer, maar vrolijker.

Nu ben ik opnieuw in de stad om te kijken of de integratie is gelukt. Een zomerfestival aan de Neisse lijkt de ideale steekproef. Ik boek een kamer in pension An der Neisse, op steenworp afstand van de brug die inmiddels leeg is. Het vrachtverkeer wordt tegenwoordig omgeleid. Sinds Polen in 2007 lid werd van Schengen is ook de pascontrole afgeschaft. Polen is letterlijk om de hoek.

Het pension is stil, keurig en goedkoop. Er zijn fietsen beschikbaar voor ritjes langs de rivier. Aan het ontbijt spreek ik een Duitser die vandaag voor het eerst sinds de oorlog naar de boerderij van zijn ouders gaat kijken. Hij is benieuwd.

Het eerste verhaal dat ik hoor, is het verhaal over de voetgangersbrug. De Duitsers wilden een brug aanleggen naar een eilandje in de rivier dat Pools grondgebied is. Op dat groene eilandje stond vroeger het Gubener theater dat de Polen na de oorlog hebben opgeblazen. Het is een geliefde plek voor wandelaars. Maar de Duitsers hadden geen Poolse bouwvergunning aangevraagd, dus kregen ze een forse boete. De ruzie liep hoog op, tot aan de ministeries in Warschau en Berlijn.

De brug is er gekomen, maar de ruzie is niet bijgelegd. Het blijkt veelbetekenend. Het is hier een publiek geheim: het botert niet tussen de Duitse burgemeester Klaus-Dieter Hübner (57) en zijn Poolse collega Bartlomiej Bartczak (31). Bartczak, partijloos, is jong en onervaren. Hübner, lid van de liberale FDP, heeft in zeven jaar tijd veel bereikt in de stad, zeggen de Duitsers waarderend. Maar hij is tactloos tegen de Polen.

De Poolse burgemeester

Bartlomiej Bartczak ontvangt me in het oude stadhuis aan de Pjaststraat, dat in de steigers staat. Het heeft de sfeer van een vervallen schoolgebouw. Aan de muur in zijn werkkamer hangt het wapen met de Poolse adelaar, op de kast staan glimmende sporttrofeeën. Halverwege ons gesprek gaat het licht uit. De burgemeester rommelt met het lichtknopje. Later floept het licht weer aan.

De verhoudingen zijn niet denderend, beaamt Bartczak in het Duits. „Man streitet. Ik kan goed met de Duitse mentaliteit omgaan, maar Hübner is een solist. Dat is soms onmogelijk. Met zijn plaatsvervanger kan ik het goed vinden. De Duitsers zijn gedisciplineerd, wij improviseren meer. Zij plannen alles jaren van tevoren, wij kunnen uit niets iets maken. We leren van elkaar.”

Dat Hübner niet is komen opdagen bij de opening van het festival is één ding. Echt beledigd blijkt Bartczak pas over de voetbalwedstrijd die vandaag gehouden moest worden. Ter gelegenheid van de opening van het nieuwe sportstadion organiseerde hij een duel tussen teams van de gemeentehuizen. Gisteren kreeg hij opeens een mailtje van een medewerker van de Duitse burgemeester dat Hübner helaas verhinderd was wegens een dringende afspraak. Ook was het leider niet gelukt een team van Duitse gemeenteambtenaren samen te stellen. „Een mailtje van een medewerker”, zegt hij geërgerd en toont me de tekst.

Bartlomiej Bartczak kwam op zijn vijfde met zijn familie naar Gubín. Zijn vader was militair. Gubín werd een garnizoensstadje in een Poolse militaire zone. Om de nieuwe grens te bestendigen, werd veel afgebroken. Zo zijn de stenen van de villa van de rijke fabrikant Wolf van de stoffenfabriek, een bouwwerk van de Bauhausarchitect Mies van der Rohe, gebruikt voor de wederopbouw van Warschau. Het grensgebied werd niemandsland. Veel land in de omgeving ligt nog steeds braak.

Inmiddels is in Gubín de angst verdwenen dat de Duitsers uit Guben hun huizen terug komen eisen. Als er al Duitsers met die ambities rondlopen, komen ze uit het Westen, zegt Bartczak. Die nemen meteen een advocaat in de arm. Hier praten mensen gewoon met elkaar over de pijnlijke kanten van de geschiedenis. „Een Duitse man was hier al vijf keer naar zijn huis komen kijken, maar durfde niet aan te kloppen. Toen hij de stap eindelijk had gezet, zei de Pool verheugd: eindelijk! Ik heb op je gewacht. Ik was de enige Pool in de straat die nog geen Duitsers op bezoek had gehad.”

Van de economische crisis heeft Polen nog niet zoveel last als de rest van de wereld, zegt Bartczak. „De economie krimpt in heel Europa, maar Polen heeft nog steeds een groei van 0,8 procent.” Prettige bijkomstigheid: omdat de euro duurder is geworden ten opzichte van de Poolse zloty, komen de Duitsers weer in Polen kopen. De afgelopen jaren waren de prijsverschillen door de Poolse opbloei sterk verkleind.

Gubín heeft onlangs twee nieuwe investeerders gevonden: uit Luxemburg en Leverkusen. Een fabriek voor kraanelementen en een voor sportvoeding moeten op termijn een paar honderd arbeidsplaatsen opleveren. Maar de Polen verdienen hun geld hier toch nog steeds vooral met kleine bedrijfjes, handel en de markt. De grootste werkgever is de gemeente met zo’n 500 arbeidsplaatsen.

De werkloosheid is nog even hoog als in 1992: 30 procent. Maar volgens Bartczak trekken veel mensen steun en gaan dan in Nederland werken. De vorige keer dat ik hier was, bood de schoenenfabriek Carina nog werk aan 1.400 mensen. Inmiddels staat die met ingegooide ruiten te verkrotten. Anders dan in Nederland hebben Polen in Duitsland nog niet dezelfde arbeidsrechten als Duitsers. Bondskanselier Merkel is benauwd voor de hoge werkloosheid in de voormalige DDR. Maar Polen mogen over de grens wel eenmansbedrijfjes openen of voor een paar maanden werken in de bouw of als huishoudelijke hulp. Zo zie je op de Frankfurter Strasse in Guben een kapperszaak adverteren met ‘Deutsche Qualität, Polnische Preise’.

De Duitse burgemeester

Het verschil tussen beide stadjes blijft verrassen. Gubín heeft 17.000 inwoners en een begroting van 10 miljoen euro. Guben heeft 19.000 inwoners en een budget van 20 miljoen euro. Toch wordt het prettige Poolse optimisme aan de andere kant niet gedeeld. Ook in dat opzicht blijkt de Neisse nog steeds een waterscheiding. Van het rommelige Johannes Paulus II-plein voor de grote kerk in Gubín, een afgestofte ruïne, wandel je in een paar minuten via de piekfijne Frankfurterstrasse (voorheen Adolf Hitlerstrasse) naar het plein waar de voormalige hoedenfabriek van Wilke – ooit Gubens trots – is omgebouwd tot een groot, modern en licht gemeentehuis.

Alles frisch gestrichen, zalmkleurig tapijt op de vloer, modern kantoormeubilair, zacht sprekende secretaresses. Burgemeester Hübner laat op zich wachten. Een forse man in hemdsmouwen, met snor. Hij is geboren in het dorpje Bährenklau, 10 km verderop. Hij is een selfmade man. Van metaalbewerker klom hij op tot technicus, ingenieur en makelaar. Veel mensen, zegt hij, hebben hem gevraagd zich kandidaat te stellen voor de burgemeesterspost. Hij zit nu zeven jaar. Dit najaar zijn er verkiezingen. Hij wil wel door, maar hij heeft zorgen.

Als ik Hübner vraag of hij niet zelf even naar de telefoon had kunnen grijpen om de voetbalwedstrijd bij de Polen af te zeggen, stuift hij op. „Dat ze daar alles aan een voetbalwedstrijd afmeten, is toch belachelijk! Dat spreekt voor mij boekdelen. We hadden geen tijd voor voetbal. De Polen speelden trouwens vals: ze haalden mensen uit de omgeving in hun team. We hebben netjes afgezegd.”

Het echte probleem, zegt Hübner, is dat de Polen niet op komen dagen als het wel belangrijk is. Hij benadrukt dat de verhoudingen tussen de gewone Polen en Duitsers prima zijn. Er wordt volop handel gedreven, gezongen en cultuur uitgewisseld. Kleuterscholen werken samen. Maar op het niveau van het stadsbestuur hapert het. „De mentaliteitsverschillen tussen Polen en Duitsers zijn enorm. Wij kijken naar de lange termijn, de Polen naar de korte. Het ergert me als mensen hun kansen niet grijpen. Ik knok voor de stad en de Polen komen keer op keer hun afspraken niet na. Ik ben niet gefrustreerd, maar ze kunnen van mij niet verlangen dat ik euforisch ben.”

Een groot probleem is het verschil in staatsstructuur. Duitsland is een federale staat, waar veel is gedecentraliseerd naar de bondsstaten. Polen is heel centralistisch. „Die kwestie met die voetgangersbrug heb ik in Warschau moeten oplossen!” De betrekkingen met Warschau zijn overigens uitstekend, maar de modernisering die daar plaatsvindt, dringt niet door in de regio. De Poolse wetgeving is omslachtig en sluit niet aan op de Duitse. En de Polen laten allerlei investeringskansen liggen. „Ze zien totaal niet welke voordelen de Europese Unie ons kan bieden. Wij hebben dat geld zo vreselijk hard nodig! Ik ken Poolse bestuurders die zeggen: de EU interesseert ons niet. Dit is Pools grondgebied. Dat is toch ongelooflijk? En wie scheldt op de Duitse bureaucratie, moet maar eens in Polen gaan kijken!”

Hübner is trots op wat hij heeft bereikt („ik heb de werkloosheid teruggedrongen van 21 tot 15 procent”). Anders dan de Polen maakt hij zich grote zorgen over de economische crisis. Een van de grootste werkgevers in Guben, de Trevirafabriek (kabelproductie voor de auto-industrie, 730 arbeidsplaatsen), staat op omvallen. Er is uitstel van betaling aangevraagd. Op een demonstratie van verontrust personeel, vorige week, zei Hübner volgens het plaatselijke weekblad de Neisse-Echo: „Als Trevira sterft, verliest ook de stad haar leven.” Wat Opel is voor Bochum, is Trevira voor Guben, zegt de burgemeester nu somber. „Ik ben er dag en nacht mee bezig. Als Trevira verloren gaat, heb ik al die jaren voor niks gewerkt.”

In de DDR-tijd werd de industrie kunstmatig in stand gehouden. Dat was onhoudbaar, zegt Hübner. Maar nu is de globalisering doorgeslagen. Trevira is in 2004 door de Deutsche Bank aan Indiërs verkocht. „Als ik met die Indiërs over de werkvloer loop, zie ik dat het ze totaal niet interesseert. Dat maakt me woest.” Uiteindelijk is dat ook de reden dat de Polen hem zo irriteren. Ze vechten niet voor de stad. „Het zijn goede improviseerders, maar ze weten niet wat doorzetten is.”

Nee, een biertje zal Hübner niet gauw met zijn Poolse ambtgenoot gaan drinken. „Ik drink geen bier en hij houdt niet van wijn.” En hij is ook niet van plan om Pools te leren. Dat vindt hij zonde van zijn tijd. Hij gebruikt liever een tolk. Of hij nog voornemens is het Poolse festival aan de overkant te bezoeken? Vast wel, gromt hij. Maar nu gaat hij met permissie eerst aan het werk. U rookt veel, merk ik op. Ja, zegt hij grijnzend, hoe is het ook alweer? Drinken, vrouwen, roken. „Ik heb er nog maar één van over.”

Tegenpolen

Ik wandel terug naar Polen. Meer dan tienduizend Duitsers zijn de afgelopen twintig jaar uit Guben vertrokken. Hele woonblokken zijn afgebroken wegens leegstand. De burgemeester zegt de exodus tot staan te hebben gebracht. Maar Guben blijft een stille, vergrijsde stad. Ook hier weer een contrast met Polen: op het festival in Gubín ziet het zwart van de kinderen. Daar geeft de jeugd de toon aan. Gehuld in Romeinse senatorengewaden, geïmproviseerd uit lakens, neemt het voltallige stadsbestuur een defilé af. Eindeloze rijen verklede schoolklassen trekken aan burgemeester Bartczak voorbij. Hijzelf is verkleed als Caesar en draagt een lauwerkrans op het hoofd. Maar alle optimisme van de burgemeester ten spijt: ook in Gubín is geen werk voor jonge mensen.

’s Middags maken wij ons op voor een vrolijke kanotocht op de Neisse, de burgemeester en zijn blonde vrouw in sporttenue. Twee uur peddelen we in de regen over de grens tussen Polen en Duitsland, van de Neisse naar de Oder, die andere grensrivier. Poolse grappen schallen over het stille water. De burgemeester van de Duitse zusterstad Laatzen, in korte broek, peddelt mee. „We hebben Hübner net incognito betrapt tussen de menigte in Gubín”, zegt hij lachend. Ook voor hem is de vete tussen de bestuurders allang geen geheim meer. Hijzelf kan het prima vinden met de Polen. „Je had beter in de grensstad Görlitz kunnen gaan kijken”, zegt hij. „Daar loopt de samenwerking prima.”

’s Avonds komt dan toch echte vriendschap tussen de volkeren tot stand. In de stromende regen vult het Johannes Paulus II-plein voor de kerkruïne in Gubín zich met Duitsers en Polen onder paraplu’s. Het bier kost maar een euro per halve liter en ook de Poolse worst weten de Duitsers te waarderen. Het zong al de hele week rond in de stad: de Czerwone Gitary (Rote Gitarren) treden op. De inmiddels bejaarde Poolse band maakte in de jaren zeventig furore in Polen en de DDR. Middelbare Polen en Duitsers zingen uit volle borst de hits van toen en wagen zich hier en daar aan een dansje. Van een afstandje slaat de Poolse jeugd, de meisjes in korte rokken of snoerstrakke spijkerbroeken, de jongens met opgeschoren koppen, capuchon en opvallend veel designerbrillen, het tafereel afstandelijk geamuseerd gade. Zij hebben de avond tevoren al hun eigen feestje gehad met de Duitse dj’s Sammy Fernandez en Dr. Mike.

’s Ochtends aan het ontbijt tref ik de Duitser die de boerderij van zijn ouders in Polen gevonden heeft. Hij is lyrisch. Alles stond er nog, het zat goed in de verf en hij had een prettig gesprek met de Poolse eigenaar. Dik tevreden keert hij terug naar West-Duitsland. Ik wandel naar het station. Via Eisenhüttenstadt (voorheen Stalinstad) spoor ik terug naar Berlijn. Het is duidelijk dat de persoonlijke wrijvingen tussen de twee bestuurders in het grensplaatsje de verschillen tussen de twee volkeren uitvergroten. Maar in grote lijnen is het verhaal hetzelfde gebleven. Polen en Duitsers hebben een andere geschiedenis, een andere mentaliteit, een ander gevoel voor humor. Guben en Gubín zijn nog steeds elkaars tegenpolen.