Zomaar door de lucht vliegen

Judo is diep verweven met het werk van kunstenaar Yves Klein. De spirituele ruimte die hij in zijn werk zocht, voelde hij voor het eerst bij het beoefenen van deze sport.

Komende week organiseert de Judo Bond Nederland in de Rotterdamse Ahoy het Wereldkampioenschap judo. Uit de website die dat ruim van tevoren aankondigde, viel op te maken dat er nog werd gezocht naar nevenactiviteiten ter opluistering van het evenement. Toen de kunstenaars en judoka’s Koen Vermeule (NL) en Ian Whittlesea (GB) dat lazen, hoefden ze geen twee keer na te denken. Ze wendden zich tot de bond met het aanbod in Ahoy een expositie in te richten over de grote rol die judo speelde in het leven en werk van de Franse kunstenaar Yves Klein (1928-1962). Bijna een halve eeuw na zijn dood worden er over de hele wereld nog regelmatig Klein-tentoonstellingen gehouden, maar het aandeel judo daarin is doorgaans hooguit een zijlijntje. Wat was nu een mooiere gelegenheid om dat beeld weer eens bij te stellen dan dit wereldkampioenschap?

De bond begreep niet waar ze over praatten. Kunst? Nee, dan hadden ze toch andere nevenactiviteiten in hun hoofd. Nu kun je zeggen, natuurlijk, sportmensen, dat was te verwachten. Toch lijkt het ook een teken dat het judo zijn eigen geschiedenis is vergeten. Grondlegger Jigoro Kano (1860-1938) had nadrukkelijk een systeem van oefeningen voor ogen waarin sport samenvloeit met kunst, en de naam die hij ervoor bedacht is dan ook een samentrekking van jutsu (kunst) en do (weg, principe). Dat is op de website van de judobond zelf na te lezen.

Een soortgelijk wegdrijven van de bron constateerde Yves Klein in 1954 toen hij zich tot de Franse judobond richtte. Hij was net terug uit Japan, waar hij in een recordtijd van vijftien maanden een vierde dan had weten te bemachtigen. In Frankrijk, dat na Japan het beste judoland ter wereld was, bezaten slechts vijf anderen die judograad. Maar tot Kleins woede erkende de Franse bond zijn prestatie niet. Het vooral in commerciële clubs beoefende, op kracht en winnen gerichte judo was losgeraakt van het Japanse Kodokan-judo, dat de twee belangrijkste principes van Kano hooghield: een minimale inspanning voor een maximaal resultaat en wederzijds voordeel.

Klein liet het er niet bij zitten en nam zijn toevlucht tot Spanje, waar hij de nationale Judo Federatie van een papieren organisatie omvormde tot een levend instituut. Daarnaast schreef hij een boek, Les Fondements du Judo, waarin hij de zes vormen (Kata) van het Kodokan stap voor stap beschrijft en ook zelf voordoet op 375 foto’s, zodat de Fransen voor altijd zouden weten hoe het er in het judo aan toe hoort te gaan. En niet alleen de Fransen, alle Europese bonden kregen een boek met opdracht. In het exemplaar voor Nederland staat voorin de handgeschreven tekst: ‘A la Nederlandse Jiu-Jitsu en Judobond – Hommage de l’auteur Yves Klein’. Het voorwoord is van een Japanse leraar van Klein, Ichiro Abé, zesde dan, die even vriendelijk als streng uiteenzet dat het Kodokan uit twee delen bestaat, de Kata (vormen of regels) en de Randori (vrije praktijk). Die verhouden zich tot elkaar als grammatica en creatief schrijven, zonder het een is het ander onmogelijk. Om de Randori goed te kunnen uitoefenen, moet je dus de Kata goed kennen. Maar die laatste zijn het zwakke punt van het Europese judo, en daarom is deze handleiding van meneer Klein zo waardevol en noodzakelijk, aldus Abé.

Het boek, dat dit jaar voor het eerst in het Engels is vertaald als The foundations of Judo, wordt nu gepresenteerd in de Rotterdamse galerie van Cokkie Snoei, want daar hebben Vermeule en Whittlesea onderdak gevonden voor hun tentoonstelling. Yves Klein zelf is er aan het werk te zien als judoka, op de film die hij in Japan liet maken van zijn eigen oefeningen met Japanse kampioenen. Daarnaast worden dagelijks, tegen de achtergrond van originele werken en multiples van Klein, live judodemonstraties gegeven door judoka’s.

Het belang van dit alles

zou beperkt zijn als Yves Klein een kunstenaar was geweest die er toevallig ook bij judode. Maar zo is het niet, judo is diep verweven met zijn werk. Hij werd beroemd met zijn monochrome schilderijen, het gepatenteerde ultramarijnpigment IKB (International Klein Blue), de Anthropometrieën die hij schilderde met als kwast naakte vrouwen, de sponsschilderijen, de werken met vuur en de luchtarchitectuur, en niet te vergeten zijn Sprong in de Leegte vanaf een dak in Parijs. Maar de vraag is wat ervan terecht was gekomen als er geen judo zou zijn geweest in zijn leven.

Want wat was het bindende element in dat heterogene oeuvre? Niet de abstractie, al zag het er vaak zo uit. Dat was niet wat hem dreef. Zijn moeder, Marie Raymond, een succesvol abstract schilder in het naoorlogse Parijs, organiseerde elke maandagavond een salon met geestverwanten, maar Yves verveelde zich erbij. Hij was niet op zoek naar de essentiële vormen en kleuren van de dingen. Hij reikte verder, naar waar geen dingen meer waren. Naar de ‘spirituele ruimte’, zoals hij die zelf noemde, en het was bij het judoën dat hij die ruimte voor het eerst ervoer. Dat je zomaar door de lucht kon vliegen en toch ongedeerd kon landen, bevrijdde hem, zei hij, van ‘de platte feiten’.

Hij kreeg het onder de knie op de judoschool van de politie in zijn geboorteplaats Nice, samen met zijn vrienden voor het leven die hij daar leerde kennen, de Franse dichter Claude Pascal en de Spaanse kunstenaar Armand Fernandez (de latere Arman). De gezworen kameraden beperkten zich niet tot judotraining, ze bestudeerden ook de leer van de Rozenkruisers, werden vegetariërs, zwoeren alcohol, tabak en seks af en vastten zeer serieus, precies zoals de Rozenkruisers het voorschreven: een dag per week, een week per maand en een maand per jaar. In de zomer van 1948, tijdens een ononderbroken meditatiesessie van enkele etmalen op het dak van Armans ouderlijk huis, liepen ze, high van het vasten, in Zen-houding over het dak en overwogen eraf te springen en naar de maan te vliegen. Volgens Arman geloofde vooral Yves de Rozenkruisers op hun woord dat de mens in principe, met geen ander hulpmiddel dan concentratie, kan vliegen. In die vliegdroom schuilt al de kiem van het diepe blauw waarvoor hij een patent kreeg in 1960, een jaar voor de eerste man in de ruimte, Joeri Gagarin, uitriep: ‘De aarde is blauw!’

Het was zijn moeder (toch zij) die Yves op het spoor van die kleur zette, toen ze hem het boek De lucht en de dromerijen gaf van de filosoof Gaston Bachelard. Die had de moderne poëzie er zorgvuldig op na gelezen en geconcludeerd dat ‘het woord blauw iets betekent, maar niets toont’. Voor Klein het signaal dat hij via die kleur een zuiver gevoel en een zuiver kijken zou kunnen bewerkstelligen. ‘Blauw’, noteert hij na lezing van Bachelard, ‘bevindt zich buiten de dimensies waaraan de andere kleuren onderhevig zijn. Die vormen psychologische ruimtes, zoals rood staat voor vuur, dat hitte uitstraalt. Blauw daarentegen herinnert aan de zee en de hemel, de meest abstracte onderdelen van de vatbare en zichtbare natuur.’

Die woorden betekenen nog steeds niet dat hij zich een abstract schilder voelt. Op de voorpagina van zijn eigen eenmalige zondagskrant Dimanche (27 november 1960) schrijft hij: ‘Ik ben de schilder van de ruimte. Ik ben geen abstract schilder, maar integendeel een figuratief schilder, een realist. Laten we eerlijk zijn, om de ruimte te schilderen zal ik daarheen moeten gaan, naar de ruimte zelf.’ De tekst staat onder de beroemd geworden foto waarop hij met opgeheven hoofd en gespreide armen uit een dakgoot springt, een lege straat tegemoet. De kop: ‘EEN MENS IN DE RUIMTE!’ De onderkop: ‘De schilder van de ruimte gooit zich in de leegte!’

De foto was getrukeerd

, in werkelijkheid werd de kunstenaar opgevangen door een groep met zeildoek en matras klaarstaande judoka’s. Kleins jarenlange judopartner Jean Vareilles was zo onder de indruk van de zweefduik waarmee Klein tien keer achter elkaar naar beneden kwam, dat hij de sprong de ‘Kata van de Vogels’ noemde, en het zeildoek zijn hele leven bewaarde. Maar in feite was de in scène gezette actie een replica van een andere, waaraan helemaal geen zeildoek te pas was gekomen.

De originele sprong had plaatsgevonden op 12 januari, vanaf een ander dak in Parijs, zonder opvangers, maar ook zonder fotografen. Getuigen waren er wel, onder wie vriendin Bernadette Allain. Zij was ook een tijdje Yves’ judopartner geweest en ging ervan uit dat hij als getrainde judoka zijn val wel zou kunnen breken. En dat lukte ook, al liep hij daarna nog wel een paar dagen te hinken. Toen anderen zijn verhaal niet geloofden, sprong hij als bewijs nog eens van een trap in een galerie en blesseerde zijn schouder ernstig. In zijn krant van november zou hij schrijven: ‘Al jaren oefen ik mij in levitatie en ik ken nu de manieren wel om inderdaad zover te komen (het vallen bij het judo).’

In die uitspraak ligt de directe relatie tussen zijn kunst en zijn judo besloten. Judo was voor hem wat tekenen is voor veel schilders, een constante oefening om de gedachten zowel concreet als beweeglijk te houden. ‘Tekenen laat te veel vrijheid aan mijn fantasie’, merkte Klein eens op, in een periode dat hij nog vreesde helemaal geen praktische toepassing te zullen vinden voor die fantasie van hem. Ondertussen judode hij met ijzeren discipline. Vareilles kende hem als ‘een zeer goed technicus met de reflexen van een tafeltennisser, niet geïnteresseerd in competitie, maar wel in staat twee uur lang onafgebroken een en dezelfde beweging te oefenen’. Volgens een van Kleins Japanse leraren trainde hij zo hard dat zijn medeleerlingen weleens voor zijn gezondheid vreesden. Het is die rigueur, dat samengaan van onverbiddelijkheid en nauwgezetheid, die ook de kern van zijn kunst uitmaakt.

Die kunst kwam niet toevallig ook pas op gang tijdens zijn fulltime judoleven in Japan. Daar nodigde hij op een dag wat collega-judoka’s uit om in zijn kamer naar zijn werk te komen kijken. Aan de kale wanden had hij velletjes postpapier opgehangen, allemaal in een andere egale kleur geschilderd. De judoka’s reageerden met gêne, maar Klein betitelde de bijeenkomst jaren later nog als een officiële tentoonstelling. Terug in Frankrijk ging hij meteen een stap verder door Yves: Peintures te publiceren, een catalogus van monochrome werken die buiten het boek helemaal niet bestonden. Zo gaat hij in hoog tempo door, hyperactief, letterlijk nooit meer slapend.

Het is nauwelijks voor te stellen dat hij zijn kunstenaarschap met evenveel fanatisme, discipline en helderheid had kunnen vormgeven wanneer hij niet eerst in het judo de macht van die eigenschappen met zoveel succes had ervaren. Het gaf hem niet alleen de durf om op te stijgen naar de spirituele ruimte, maar ook de realiteitszin om steeds te blijven denken vanuit het eigen lichaam. Zijn leven en werk waren, zogezegd, een balanceren tussen levitatie en gravitatie. Geen wonder dat hij zich identificeerde met Jezus Christus en voorspelde dat hij op zijn 33ste zou sterven. Dat kwam niet helemaal uit, hij werd 34, net als Joeri Gagarin.

Yves Klein and The foundations of Judo. Cokkie Snoei, Mauritsweg 55, Rotterdam, 23-30 augustus, dagelijks van 13 tot 18 uur. Judodemonstraties van 17 tot 18 uur. www.cokkiesnoei.com