Zelfportret

Ik ben een kuikentje 134.000ik ben een kei 555.000ik ben een zwollenaar 15.200ik ben een vrouw 4.370.000ik ben een god in het diepst van mijn gedachten 53.200ik ben een dinosaurus 349.000ik ben een goede relatie 1.970.000ik ben eenzaam 524.000ik ben een kikker 197.000ik ben een vreemde lus 8.710

Dit kant-en-klare gedicht kreeg ik cadeau toen ik op Google intikte: ‘Ik ben een – ’. Ik zocht twee gedichten, van mannen die zich op dezelfde middag kwalificeerden als respectievelijk een bijl en een lint. De man die zichzelf een bijl noemde, is Gerrit Komrij. Het is de beginregel uit een scherpzinnig en grappig gedicht dat hij las in de Groningse Prinsentuin. Helaas kan ik me geen enkele andere regel dan de eerste herinneren. Mijn zoekactie op internet leverde niets op.

Erik Jan Harmens stelde de bloemlezing Ik ben een bijl samen waarin hij een nieuwe generatie dichters presenteert. In een aanstekelijke, stormachtige inleiding legt hij uit wat hij verlangt van poëzie. Ik wil poëzie die verboden zou kunnen worden. Ik wil poëzie die je een erfenis door de neus kan boren. Ik wil poëzie die het einde van je verkering kan inluiden.

Er staan twee gedichten van mij in de bloemlezing. Harmens koos mijn meest agressieve gedichten. Ook wel de meest eenduidige. Precies die gedichten die ik nooit voorlees, en die ik in een herdruk niet meer zou opnemen.

Ik ben een bijl probeer ik. Het klinkt goed. Even voel ik me krachtig en scherp. Gevaarlijk ook. Maar welk deel van mijn lichaam is het staal? Mijn hoofd vermoedelijk, dat op een blok moet knallen om iets open te splijten. Ik ben geloof ik liever geen bijl. Zou ik een lint kunnen zijn?

„Ik ben een lint”, zei een man tegen me. Ik had hem gevraagd of hij zelf misschien iets wilde voordragen, nadat ik twintig minuten gedichten had staan spuien via een opening in een heg, waar de organisatoren van het festival in de Prinsentuin me hadden neergezet. „Ik heb dit niet zelf geschreven”, zei de man verontschuldigend. Ik zei dat ik dat niet erg vond. Zijn vrouw vond het ook geen punt. De man keek een beetje ongelukkig, maar ging rechtop staan en begon aan het gedicht.

Toen ik de man eens goed bekeek, vond ik hem erg groot om een lint voor te stellen. Maar hij was er zelf zo van overtuigd, dat ik er anders door ging kijken. Deze man kon verstrikt raken in het haar van een meisje. Hij wapperde en raakte in de knoop. Hij wás een lint, en ik bedankte hem.

Noch ‘ik ben een lint’, noch ‘ik ben een bijl’ levert in de zoekmachine van Google iets op over de gedichten of hun makers.

In de resultaten die ik desondanks kreeg, werd ik getroffen door het feit dat een half miljoen mensen zichzelf eenzaam noemt en dat nog meer mensen zichzelf een kei vinden, of het verlangen hebben er één te zijn.

De volgorde van zoekresultaten is een complex algoritme dat Google niet bekendmaakt, lees ik. Maar hoe vaker ik intik ‘ik ben een bijl’ en ‘ik ben een lint’, hoe hoger deze regels op de lijst zoekresultaten verschijnen.

Het gedicht dat ik in eerste instantie aantrof, zou wel eens een zeer onthullend zelfportret kunnen zijn.