Woodstock

Het is hoog tijd om na veertig jaar de Woodstock-luchtbel door te prikken. Jan Vollaard (CS, 14 augustus) doet dat niet, en de producten die hij recenseert evenmin.

De bekende film over Woodstock toont overduidelijk dat de organisatie de massale toeloop van belangstellenden zwaar heeft onderschat. Iedereen mocht zonder betalen naar binnen, domweg omdat de kaartcontrole volstrekt ontoereikend was georganiseerd. Om dit te verhullen, is deze foutieve inschatting nadien geïdealiseerd met het ‘vrijheid-blijheid’-aura waarmee Woodstock zo beroemd is geworden. Leuk gevonden, maar niet gebaseerd op de werkelijkheid.

Verder waren om dezelfde reden de sanitaire voorzieningen en catering volstrekt onvoldoende. En het regende veel. Kortom: het is een Godswonder dat dit festival, met een paar honderdduizend mensen drie dagen lang samengeperst op een paar vierkante kilometer weiland, zonder noemenswaardige incidenten is verlopen. In dit opzicht is Woodstock ongetwijfeld bijzonder, maar wel om een andere reden dan waarmee dit festival nog altijd wordt verkocht.

De organisatie is aan Woodstock failliet gegaan. De boer die zijn weiland had verhuurd, is hiervoor tot aan zijn dood ‘persona non grata’ in zijn lokale gemeenschap gebleven.

Over vier maanden speelt het veertigjarig jubileum van de tegenpool van Woodstock: Altamont, waar in december 1969 de Rolling Stones optraden, die de ordebewaking aan de Hell’s Angels hadden uitbesteed. In Altamont ging het vrijwel vanaf het begin volledig mis, en werd iemand uit het publiek met een mes doodgestoken. Het slachtoffer had ook nog een zwarte huid, wat dit sinistere gebeuren een racistisch accent verleende. De desillusie was enorm: het veelgeroemde ‘vrijheid-blijheid’-idee van Woodstock bleek toch niet te werken.