'We moeten geweld niet schuwen'

Er is een radicale omwenteling van sociale verhoudingen nodig, stelt de Sloveense filosoof Slavoj Zizek. Het destructieve kapitalisme verdient een tegenkracht.

In het christelijk verleden was het voor mensen die een zondig leven leidden gebruikelijk om op hun oude dag terug te keren naar de kerk, teneinde verzoend met God te kunnen sterven. Iets dergelijks gebeurt vandaag de dag met anticommunistische aanhangers van links: in de laatste jaren van hun leven keren ze terug tot het communisme, alsof zij, na een leven van verraad, willen sterven na verzoend te zijn met de communistische idee, schrijft de Sloveense cultuurfilosoof Slavoj Zizek (1949) aan het eind van zijn nieuwe boek, het nog te verschijnen Eerst als tragedie, dan als klucht. Een communistische onderzoeking van de crisis en aanverwante zaken. De hoofdboodschap: de communistische idee moet voor links als einddoel in ere worden hersteld – iedereen eigen baas en gelijk, en niks geen lapmiddelen als liberaal-socialisme, of communisme of socialisme ‘met een menselijk gezicht’. Terug naar de ideeën van Marx en Hegel, en naar de Grote Geschiedenis.

De vermoedelijk populairste cultuurfilosoof van onze dagen heeft zijn jongste manuscript even gemaild, na afloop van een twee uur durend gesprek in zijn werkkamer in Ljubljana, de hoofdstad van de ex-Joegoslavische republiek Slovenië. In het onooglijke flatje hangen reproducties van Stalin-posters uit de jaren dertig: „Om het bezoek te epateren.”

De ‘Elvis van de cultuurtheorie’ is hij wel genoemd, naar aanleiding met name van de bepaald swingende wijze waarop hij elementen uit de populaire cultuur – films van Hitchcock bijvoorbeeld, of van David Lynch – en de actualiteit – de brief aan Hirsi Ali die Mohammed B. achterliet op de buik van de vermoorde Theo van Gogh – weet te verbinden met het gedachtengoed van zulke notoir moeilijke denkers als Jacques Lacan, Karl Marx en Friedrich Hegel.

Zizek lezen is een, in intellectueel opzicht althans, lustvolle aangelegenheid – die manische nieuwsgierigheid, die onwil van hem zich voor het gat van de vanzelfsprekendheid te laten vangen, waar het ook om gaat – cultuur, politiek, de menselijke psyche. Die lust in denken, is misschien het geheim van zijn populariteit. Dat zou ook helemaal in de stijl zijn van zijn grote voorbeeld, Jacques Lacan (1901-1981). Deze Franse psychoanalyticus verwierp de basisgedachte van Sigmund Freud dat neurosen ontstaan uit de onderdrukking van het driftleven, wat noodzakelijk zou zijn om een maatschappelijk bestaan te leiden. Niet het maatschappelijk bestaan van alledag is de voornaamste ‘werkelijkheid’ waarin de mens leeft, zegt Lacan, maar juist dat geheel van wensvoorstellingen, driften, het rijk van de wil tot genieten. Kijk, daar kun je iets mee, wanneer je als filosoof op zoek bent naar verborgen betekenissen en interessante, vaak symbolische betekenissen van op het eerste gezicht banale verschijnselen in het dagelijks leven of de populaire cultuur.

Er is sinds medio jaren negentig nauwelijks een jaar voorbijgegaan zonder één, twee of drie nieuwe boeken van Slavoj Zizek. En dan zijn er nog zijn talrijke voordrachten, opstellen her en der, onder andere op de aan hem gewijde internetsite International Journal of Zizek Studies. En volgende maand op de Nexus-conferentie in Amsterdam, waar hij – constateert hij een tikje teleurgesteld met een blik op het programma – alleen maar geacht wordt aan een forum deel te nemen.

Liever steekt hij van wal in een lang betoog, vol onverwachte associaties, grappen en paradoxen. En dat in een hem typerende stijl: jachtig, snel associërend en met een onnavolgbare body language. Wanneer de filosofie hem eenmaal in de greep lijkt te hebben, de lange monologen beginnen en zijn hersens op volle toeren draaien, grijpt Zizek regelmatig naar zijn neus en wordt het betoog onderbroken door vreemde snikken. Wie hem ooit zo heeft horen praten, zal dat niet gauw vergeten.

Voor het interview, in de taxi naar zijn werkkamer in het centrum van de stad („handiger dat ik u even ophaal, want het adres is nauwelijks te vinden”) is van die body language nog niets te merken. Nee, hij ervaart Ljubljana niet als een achterafstadje, een internationaal toonaangevend filosoof onwaardig. „Het is hier lekker rustig en ik heb hier mijn familie en vrienden. Ik heb twee zoons. Waarom zou ik een baan in het Westen aannemen waar ik echt moet werken? Omdat ik zo veel publiceer, is op het instituut iedereen tevreden – de productiviteit van ons instituut is heel hoog. En ik hoef weinig te doen. Ik ben weliswaar hoofd van een filosofisch onderzoeksproject aan de Universiteit van Ljubljana, maar ik kom er nooit, weet zelfs niet waar dat project over gaat. Ik heb als het ware een permanent sabbatical.”

Hij was niet altijd zo’n uitgesproken

marxist, vertelt hij. „Het is nu moeilijk voorstelbaar, maar dat was in het Joegoslavische Slovenië van mijn studentenjaren eind jaren zestig eigenlijk vrij verdacht”, zegt hij. In de meest ‘westerse’ van de ex-Joegoslavische republieken was het marxisme van de Frankfurter Schule eigenlijk de norm. Maar dat was een ‘soft’ revisionisme waar de jonge Zizek al niets van wilde weten. Zijn liefden waren Heidegger en de Franse structuralisten, en omdat zijn afstuderen in 1971 samenviel met een ideologisch rigide periode in de geschiedenis van Joegoslavië kon hij vier jaar lang geen baan vinden, vertelt hij. „Eigenlijk is dat een blessing in disguise geweest”, meent hij achteraf. „Na vier jaar stopten ze mij in een vakgroep met allemaal marginale, halve dissidenten van wie ze dachten dat die geen kwaad konden en aan wie weinig aandacht werd besteed.

„Een raar land was het oude Joegoslavië”, zegt hij, „waar je voor een boek in de ene republiek in het gevang kon komen, en er tegelijkertijd in de andere een literaire prijs voor ontving.” Anders dan veel andere ex-Joegoslavische intellectuelen en linkse mensen in West-Europa, heeft hij geen enkele nostalgie naar de socialistische veelvolkerenstaat van vroeger. „Dat was een land waarin je op papier rechten had en de maatschappij zogenaamd op zelfbestuur was georganiseerd. Maar in de praktijk was dat allemaal niet waar.” In 1991 stond Zizek kandidaat bij de verkiezingen voor een plaats in het vierkoppige presidium van de toen bijna onafhankelijke republiek Slovenië. Hij werd vijfde.

Zizeks belangstelling voor de Grote Geschiedenis en de revolutie komt niet helemaal als een verrassing, al hebben de lezers van zijn spitsvondige culturele beschouwingen, of meer psychoanalytische verhandelingen, over ‘vrouwen en causaliteit’ bijvoorbeeld, zijn beschouwingen over Stalin, Lenin of Mao misschien wel eens overgeslagen. Zijn belangstelling voor politiek, en vooral dan voor politieke omwenteling, lijkt de laatste jaren wel sterker zijn werk te zijn gaan beheersen.

In boek na boek ontpopt ‘Elvis’ Zizek zich tot een prominent en luidruchtig advocaat van radicale politiek in het algemeen, en marxisme en communisme in het bijzonder. Neem het vorig jaar verschenen Violence. Dit onderzoek naar de ‘subjectieve, objectieve en symbolische’ betekenis van het begrip geweld, en de schijnheilige wijze waarop daarover onder hedendaagse kapitalistische verhoudingen wordt gesproken, eindigt in een pleidooi om geweld, in de zin van radicaal optreden, vooral niet te schuwen.

Zizek ontleedt tot op het bot het optreden van grootkapitalisten die door middel van filantropie en dialoog het objectief gewelddadig karakter van hun positie aan het oog proberen te onttrekken. In de moderne informatiemaatschappij mag, nee moet iedereen meepraten, zijn mening zeggen. Altijd de dialoog op gang houden. Van elk flesje mineraalwater bij Starbucks gaat vijf cent naar het milieu, ter symbolische leniging van de verwoestingen die het kapitalisme zelf aanricht. Maar de machtsverhoudingen veranderen niet. „Het gevaar van nu is niet passiviteit, maar pseudo-activiteit, de drang ‘actief’ te zijn, te ‘participeren’, de inhoudsloosheid te maskeren.”

Er is, schrijft Zizek, een „radicale omwenteling van sociale verhoudingen” nodig. Het moet maar eens afgelopen zijn met het geweldstaboe waarvan bijvoorbeeld de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zich tolk heeft gemaakt. Sloterdijk meent dat de ideologieën van de twintigste eeuw het gebruik van geweld in het politieke denken hebben gediscrediteerd, en dat de wereld sindsdien beter in kleine stapjes kan worden bestierd, zonder het streven naar utopia’s. Zo’n standpunt overlaadt Zizek met hoon: er is niets mis met het streven naar radicale verandering – sterker nog: die is noodzakelijk. En dan er is geen aanleiding om op voorhand van geweld af te zien – zo’n preutsheid speelt alleen de gevestigde machten in de kaart.

De titel van zijn nieuwe

, nog te verschijnen First as tragedy, then as farce is een parafrase op Marx’ uitspraak dat de geschiedenis zich herhaalt, eerst als tragedie, dan als klucht. Zizek geeft het streven van de radicale politiek hier een duidelijke naam: de communistische idee. Marx en anderen maakten een analyse van de geschiedenis van de wereld en de ontwikkeling van het kapitalistische systeem, uitmondend in een breed historisch perspectief: de wording van een wereld van rechtvaardigheid en gelijkheid, zonder uitbuiting en vervreemding. Die idee kan nog altijd als uitgangspunt dienen.

Het boek begint met de constatering van een failliet: anders dan de Amerikaanse auteur Francis Fukuyama na de Val van de Muur in 1989 dacht, heeft het einde van de Koude oorlog niet ‘Het einde van de geschiedenis’ gebracht, alsof overal ter wereld nu de liberaal-democratische norm zou gelden, met de bijbehorende kapitalistische marktverhoudingen. Integendeel, betoogt Zizek: de landen die het kapitalisme het meest spectaculair in praktijk brengen, worden juist autoritair bestuurd, zoals China of Rusland. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat die staten zich alsnog, zoals liberale denkers van allerlei slag na 1989 hadden aangenomen, zich alsnog in democratische richting zullen bewegen. Eerder gaat het in traditionele democratieën de autoritaire kant op, zoals in Italië waar de ‘clown’ Berlusconi de democratie heeft gekaapt. „In vele andere landen wachten politici van dit type op hun beurt, klaar om angst voor de medemens te gebruiken om de democratie te kapen.”

De jongste kredietcrisis heeft aangetoond dat de moderne kapitalistische markteconomie, aangeprezen als een rechtvaardige, lankmoedige structuur waarin iedereen door het maken van keuzes en dragen van risico voor de gevolgen van die keuzes zijn weg kon vinden, een drogbeeld is gebleken: de werknemers worden opgezadeld met het risico van bedelstaf en ontslag, de kapitalisten gaan gewoon door elkaar bonussen uit te delen.

Zeer geïntrigeerd is hij door de recente protestbeweging in Iran, „een grote emancipatorische gebeurtenis”, waarbij de verdrukte massa’s die in 1979 de revolutie tegen de sjah maakten, opnieuw in beweging zijn gekomen, nu tegen de geleidelijke machtsovername door het religieus establishment. Die beweging in Iran is wel degelijk zeer relevant voor Europa, betoogt Zizek, „ook al past zij niet in het kader van de bekende strijd tussen pro-westerse liberalen en antiwesterse fundamentalisten”. Wanneer wij uit cynisch pragmatisme niet meer in staat zouden zijn haar emancipatorische dimensie te erkennen, dan treden we in het Westen daadwerkelijk het postdemocratische tijdperk binnen, en moeten we ons voorbereiden op onze eigen Ahmadinejads. De Italianen kennen zijn naam al: Berlusconi.”

Zelfs voor de Talibaan weet Zizek, in verband met de democratische waarden, nog een goed woordje te doen. Hun recente verovering van de Swat-vallei, waaraan tot grote opluchting van het Westen door het Pakistaanse leger met veel geweld een einde is gemaakt, kon alleen maar lukken door steun van de bevolking. De Talibaan hadden namelijk een eind gemaakt aan de macht van lokale grootgrondbezitters die de arme boeren uitbuitten. En wat stellen de door het Westen gesteunde krachten die zeggen te handelen uit naam van democratie, vrijheid en rechtvaardigheid daar tegenover? Juist ja, de restauratie. Het kapitalisme schuwt geen middel, en zeker geen geweld, om voor zichzelf een omgeving te scheppen waarin het kan gedijen.

Het klinkt allemaal vrij radicaal en revolutionair – een pleidooi voor geweld, voor radicale omwenteling, geen geduld met ‘kapitalisme met een menselijk gezicht’ of andere slappe ideologische of praktische compromissen. Als je met hem praat, is Zizek er echter op gebrand de indruk weg te nemen dat hij een revolutionair met een eenduidig programma en het mes tussen de tanden is. „Ik wil het denken bevorderen”, zegt hij, „en dat gebeurt niet wanneer je je, zoals links in Europa nu doet, angstvallig beperkt tot kleine stappen en praktische oplossingen. Wat heeft links voor alternatief voor de huidige crisis van het kapitalisme? Het meest radicale was misschien nationalisatie van banken, niet een voorstel voor een ander systeem.

„De twintigste eeuw, waarin de keus ging tussen de welvaartsmaatschappij in het Westen en het zogeheten werkelijk bestaand socialisme in het Oosten, is definitief voorbij. Ik zou niet willen leven in een wereld waarin de enige keus bestaat uit die tussen liberale democratie naar Angelsaksisch model en autoritair kapitalisme met een Aziatisch gezicht. Ik heb geen afkeer van praktische politiek, of concrete oplossingen voor problemen. Ik ben geen doemdenker, maar toch voel je een grote crisis aankomen – kijk naar de honger die nu in grote delen van de wereld om zich heen grijpt, of de ontwikkeling van de natuur, waarover we eigenlijk weinig weten. Over tien, vijftien jaar is het misschien zover. Dus waarom zouden we dan in onze kritiek op het kapitalisme niet weer ideologisch bij nul, de communistische idee, beginnen?”