Waar blijft Swift

Aldous Huxley’s Brave New World en 1984 van George Orwell zijn bedoeld als waarschuwingen, in het eerste geval tegen de totale gelijkschakeling die het gevolg zou kunnen zijn van een totalitair consumentisme; en in het tweede van een perfect gecontroleerde maatschappij waarin voor de afwijkende hebbelijkheden van het individu geen plaats meer is, de volstrekte vervulling van het communisme. Beide boeken hebben ook hun satirische kanten. Bij Huxley zijn het bijvoorbeeld de feelies, het volgende stadium van de bioscoop waarin de toeschouwer alle gevoel, ook het zintuigelijke met de spelers deelt. Orwell heeft de versificator uitgevonden, een machine die al het amusement fabriceert waarmee de massa’s van de straat worden gehouden. Leuke liedjes, porno, romannetjes van dertien in het dozijn. Maar in beide gevallen is de kern anti-utopisch, of dystopisch zoals we het nu noemen. Er worden toestanden beschreven die we tot elke prijs zouden moeten vermijden.

Orwell heeft een voorloper, de Russische schrijver Jevgenii Zamjatin van wie in 1920 het boek Wij is verschenen. Big Brother is bij hem de Grote Weldoener, er is ook al een denkpolitie, en een muziekmachine. Maar Orwell is klassiek geworden en Zamjatin nog niet.

Voor satire moeten we ergens anders zijn; voor mij het liefst bij Jonathan Swift, Gulliver’s Reizen. Bijvoorbeeld het zwevende eiland Laputa dat bewoond wordt door ongelofelijk geleerde mensen. ‘Hun hoofden stonden allemaal scheef, hetzij naar links, hetzij naar rechts; een van hun ogen was naar binnen gekeerd, en het andere pal naar het zenith.’ Dat komt doordat ze voortdurend verdiept zijn in hun astraal-wetenschappelijke gedachten. Daardoor vergeten ze ook vaak in hun eerste levensbehoeften te voorzien. Maar geen nood. Daar zijn de bedienden. Ze zijn uitgerust „met een opgeblazen varkensblaas die als een dorsvlegel was bevestigd aan het uiteinde van een korte stok. In elke blaas zat een hoeveelheid erwten of kiezelsteentjes. Van tijd tot tijd tikten zij met deze blaas tegen de mond of de oren van hun baas.” Die schrok daardoor op uit zijn diepste gedachten en was weer even rijp voor deelneming aan het sociale leven. Het boek is verschenen in 1726; het leest nog altijd alsof het dit jaar is geschreven.

Satire is in deze tijd uit de mode geraakt. Er worden wel veel griezelige, huiveringwekkende, bloedstollende visies op de toekomst gegeven, allemaal gevorderde versies van de War of the Worlds van H.G. Wells, vaak verwerkt in games; maar daar valt niets te herkennen, niets te lachen. Er worden veel romans geschreven, aangrijpend, evocatief, hartverwarmend, scherp, sprankelend, zinderend, intrigerend, indringend, ingenieus, adembenemend, angstaanjagend, meeslepend. Lees er de catalogi van de uitgevers op na. Ongelofelijk. Dat proza is langzamerhand tot een zelfstandig genre gegroeid. Maar geen satire, geen schrijver met een boek waarin mensen op een herkenbare manier al voetbal kijkend, schreeuwend ruzie maken terwijl ze zich een ongeluk twitteren en via hun iPod naar de abstracte wartaal van een minister van dienst luisteren. Is de hele samenleving tot een satire van zichzelf geworden? Dan zie je het lachwekkende niet meer. Misschien is dat de tekortkoming.