Vincent las ook wat er níet stond

In een nieuwe, bijzondere studie worden Van Goghs gedragingen en ideeën gerelateerd aan wat hij zoal las. Eerst zware kost, maar later ook vrolijke verhalen.

Wouter van der Veen: Van Gogh. A Literary Mind. Vertaald door Sue Dyson. Waanders/Van Gogh Museum, 261 blz. € 45,-.

In oktober verschijnt een nieuwe, rijkelijk geannoteerde en geïllustreerde editie van de brieven van Vincent van Gogh. Een groep kunsthistorici en taalkundigen heeft daar vijftien jaar aan gewerkt en het is dan ook een cassette (zes delen, 2.240 pagina’s) om reikhalzend naar uit te zien. Van Goghs brieven, meestal gericht aan zijn broer Theo, behoren tot de mooiste bronnen in de kunstgeschiedenis. Je hoort hem als het ware praten op papier, zijn hele korte carrière lang. Over de kunst en de literatuur, over het leven zelf en over het verband tussen die drie. De schilder las al net zo fanatiek als hij correspondeerde. ‘Ik heb een min of meer onweerstaanbare passie voor boeken en de behoefte me voortdurend te vormen, te studeren als je wilt, net zoals ik de behoefte heb om brood te eten’, schrijft hij Theo in juli 1880.

Wouter van der Veen haalt deze zin aan in Van Gogh: A Literary Mind, zijn voortreffelijke studie over Van Goghs leesgedrag. Er zijn boekenkasten vol geschreven over de schilder en het lijkt onmogelijk daar nog iets nieuws en goeds aan toe te voegen, maar Van der Veen is erin geslaagd. Hij raakte vertrouwd met Van Goghs correspondentie toen hij als student Franse taal en letterkunde diens Franse brieven transcribeerde voor de nieuwe uitgave.

In zijn eigen boek brengt hij nu in kaart hoe Van Goghs persoonlijkheid bepalend was voor de boeken die hij las, en hoe die boeken vervolgens weer bepalend waren voor zijn opvattingen – en dus voor het hoe en wat hij zelf schreef. Uit Van Goghs brieven spreekt volgens Van der Veen de overtuiging ‘dat zijn correspondenten niet in staat zijn te begrijpen wat hij voelt of denkt zolang zij niet lezen wat hij gelezen heeft.’ De kunstenaar raadt zijn broer, zus en collega’s vaak dringend de literatuur aan die hij zelf belangrijk vindt. Daarmee geeft hij natuurlijk ook een flinke portie huiswerk op aan de hedendaagse wetenschapper die wil weten wat hem bezielde. Van der Veen wekt de indruk dat hij alle door Van Gogh genoemde boeken heeft gelezen.

Zijn studie is heel geschikt als appetizer voor de nieuwe brievenuitgave, want waar je in andere verhandelingen soms de neiging hebt citaten diagonaal te lezen of over te slaan, daar weet Van Gogh in de brieffragmenten steeds weer de aandacht vast te houden. Hij heeft altijd echt iets te zeggen en dat doet hij dan mooi en begeesterd. De brieven zijn Van der Veens belangrijkste bron. Een paar keer wijst hij andere Van Gogh-onderzoekers terecht, voor wier speculaties in de correspondentie geen enkel bewijs te vinden is. Lees de brieven, is de steeds terugkerende aanbeveling – en lees ze goed.

Maar Van Gogh: A Literary Mind laat zich vooral lezen als een intellectuele biografie. Wie het levensverhaal van de schilder wel ongeveer kent, maar niet helemaal en precies, krijgt hier alles nog eens op een rijtje. Van der Veen geeft verstandige verklaringen voor alle wendingen en vat die vaak puntig samen. ‘Van Gogh werd een schepper omdat hij niet content was met de schepping’, schrijft hij bijvoorbeeld over het besluit van de teleurgestelde leerling-dominee om kunstenaar te worden.

En steeds worden Van Goghs gedragingen en ideeën gerelateerd aan wat hij las. Van dominee naar schilder, dat is een grote stap, maar Van der Veen merkt op dat Van Gogh in beide hoedanigheden geregeld verwees naar In navolging van Christus van Thomas à Kempis. Hij bleef een voorbeeld nemen aan Christus’ lijden, maar voortaan was de schilderkunst het hogere doel dat daarmee gediend was. Later, in Parijs en Arles, ging Van Gogh steeds minder zware kost lezen. Al dat lijden voor de kunst kon maar het beste worden verzacht met vrolijke verhalen.

Zijn ‘onweerstaanbare passie voor boeken’ verwerd in die jaren tot ‘eenmaal een gewoonte, een paar uur te lezen ’s avonds’. In onze tijd zou hij misschien naar romantische komedies op tv hebben gekeken. In plaats van religieuze schrijvers, Shakespeare of Emile Zola las hij nu Guy de Maupassant en Jules Verne. Van der Veen maakt aannemelijk dat Van Goghs verhuizing naar Zuid-Frankrijk geïnspireerd was door de romantische verhalen van Alphonse Daudet, die zich in het zonnige zuiden afspelen. Frappant is ook dat Van Gogh zijn beroemde Sterrennacht schilderde na lezing van Daudets verhaal ‘De sterren’, waarin een jonge herder en zijn vriendinnetje zich een nacht lang verwonderen over de sterrenhemel. Of dat hij zijn zelfportret als bonze (1888) baseerde op beschrijvingen die Pierre Loti van zo’n Japanse monnik gaf in zijn roman Madame Chrysanthème, uit datzelfde jaar.

In Saint-Rémy, aan het einde van zijn korte leven, las Van Gogh niet veel meer. Hij was alleen nog met schilderen bezig. ‘De schilder bevrijdde zichzelf van zijn literaire raamwerk’, schrijft Van der Veen tot besluit van zijn boek. ‘Om te rechtvaardigen, uit te leggen of toe te lichten wat hij deed en dacht hoefde hij niet langer zijn toevlucht te nemen tot de werken van grote schrijvers.’

Want dat is de conclusie die Van der Veen door het boek heen telkens opnieuw trekt – in verschillende bewoordingen en naar verschillende aanleidingen, maar toch: dat Van Gogh in de literatuur bijna altijd een bevestiging zocht van wat hij dacht, en een verdediging van wat hij deed. De schrijvers waarmee hij dweepte waren de vrienden die hij in het echte leven ontbeerde. Bij hen zocht hij steun. Wat ze schreven interpreteerde hij vaak erg vrij: hij was zelfs, aldus Van der Veen, ‘in staat iets in een tekst te lezen dat er gewoonweg niet stond.’

Maar natúúrlijk was hij dat, denk ik terwijl ik dat lees. En hij niet alleen. Bijna iedereen leest wel eens op die manier. Met zijn boek zet Van der Veen een soort Droste-effect in gang. Hij schrijft dat Van Gogh boeken las om daar iets van zichzelf in te herkennen, om eruit te halen wat hij kon gebruiken om zichzelf en anderen te motiveren of gerust te stellen. De lezer van Van Gogh: A Literary Mind herkent zichzelf op zijn beurt in de lezende Van Gogh. Ik ben de enige niet, denkt hij, en ik ben zelfs in goed gezelschap – precies zoals Van Gogh dat dacht wanneer hij zich vereenzelvigde met een personage van Zola, Daudet of De Maupassant.

Van der Veens boek gaat dus behalve over Van Gogh ook over u en mij. Allemaal lezen we om onszelf tegen te komen, in positieve of negatieve zin. Van Gogh leefde en las zo’n 130 jaar geleden, in een andere wereld, en hij was een ander mens. Een genie zelfs. Maar als je over hem leest, komt hij dichterbij. Dan blijkt hij op ons te lijken, of wij op hem. Dat staat er niet letterlijk, maar zo lezen we het graag.