Suitcases

De kunst is er voor ons, maar wij zijn er niet altijd voor de kunst. Misschien moet ik zo die ene vreemde, kunstgevoelige zomerdag samenvatten die ik in Denemarken beleefde.

Het was begonnen in Louisiana, een aan beeldende kunst en architectuur gewijd museum. Het is verbluffend mooi gelegen, aan de kust boven Kopenhagen. De grasgazons van het museum raken de boorden van de Sont. Op een zonnige dag weet je niet meer waar je kijken moet: binnen of buiten. Binnen Picasso, Hockney en Giacometti, buiten Arp en Moore.

Wij moesten daarna zo nodig nog ‘even’ naar Helsingor, een noordelijker gelegen havenstadje met het Kronborg Slot, waar Shakespeare zijn Hamlet heeft gesitueerd, vermoedelijk zonder het ooit zelf bezocht te hebben. We verkenden eerst het centrum, waar niet zo veel te zien bleek. Pas op Axeltorv, het stadsplein, zagen we iets wat ons tot stilstand dwong.

Een klein gezelschap, bestaande uit vijf mannen en twee vrouwen, voerde een zonderlinge act op. Ze waren gekleed in grijze pakken en hun gezichten droegen een dikke laag witte schmink. Ze zongen in een onverstaanbare taal een droevig klinkend lied, terwijl ze een vrouw uitgeleide deden. De vrouw baande zich met een versleten koffer in de hand een weg tussen een handjevol verbaasd toekijkende Denen.

Het was mooi, maar somber, zeer somber.

Wat mij fascineerde was het contrast tussen de totale overgave van de spelers en de aarzelende houding van het publiek. Bij elke volgende scène liepen weer mensen weg, zodat we op het laatst nog maar met een man of vijftien stonden te kijken.

Dit was kunst waar geen behoefte aan was. Het weer was te mooi en deze argeloze Deense burgers, op weg naar de markt, wisten niet wat ze zagen.

Suitcases bleek het stuk te heten en het werd gespeeld door een Bulgaars ensemble, naar Helsingor uitgenodigd voor een straattheaterfestival. De leider (en schrijver) was een universitaire theaterdocent uit Sofia, Nedyalko Delchev, een man van in de veertig. „Mijn generatie is teleurgesteld en leeft weggezakt in zelfmedelijden, alcohol en berusting”, schreef hij in een begeleidende tekst. De mislukking van het communisme knaagde nog steeds. „Wat was er mis met die jaren?” Zijn ouders keken er, nota bene, nostalgisch op terug.

Hij reageerde beleefd op het gebrek aan belangstelling en nodigde het publiek na afloop uit om in de kleedruimte, een verlammend hete container, spulletjes van een Bulgaarse vlooienmarkt te kopen. Veel bekende communistische parafernalia en zwart-witfoto’s van gewone Bulgaren. Niemand kocht iets.

Zo veel toewijding, zo weinig respons.

Met een gevoel van schaamte liepen we door naar Kronborg Slot. Shakespeare! Over erkenning gesproken.

Het bleek te laat om Hamlets slot te verkennen. Staande op de binnenplaats hoorde ik hoe ergens in het gebouw een diepe mannenstem zich losscheurde uit zijn lichaam. Het was een oefenende operazanger, die ’s avonds met enkele collega’s van de Koninklijke Opera een gratis openluchtconcert naast het slot zou geven.

We besloten te blijven. Met zo’n tweeduizend picknickende Denen luisterden we in de ondergaande zon betoverd naar aria’s van Donizetti, Rossini en Verdi. Achter ons fluisterde de Sont. Laten we hopen dat Nedyalko Delchev het niet gemerkt heeft.