Steunoperaties zijn altijd eenzijdig

Zowel de institutionele als de op het gedrag gerichte antwoorden op de crisis zijn problematisch. Toch zijn pogingen om de menselijke gedragingen te veranderen veel gevaarlijker, meent Harold James.

De wereldwijde financiële crisis heeft bijna de bodem bereikt. Niettemin nemen de politieke frustraties toe, omdat het dieptepunt van de crisis een laatste kans lijkt te bieden voor het doorvoeren van drastische veranderingen, en die kans zou weleens gemist kunnen worden. De chef-staf van president Obama, Rahm Emanuel, zei vorig jaar dat je een goede crisis nooit onbenut mag laten. Rampspoed stelt je nu eenmaal in staat na te denken over manieren om de wereld fundamenteel beter te maken – en tevens toekomstige crises te voorkomen.

Wat een crisis zo diepgaand maakt, is de grote verscheidenheid aan uiteenlopende diagnoses en mogelijke oplossingen. De politieke emoties die door deze verschillende interpretaties worden opgeroepen, maken de crisis dikwijls schijnbaar onoplosbaar. Het waren deze conflicten, niet zozeer de technische onvolkomenheden in de werking van de economie, die ervoor zorgden dat de Grote Depressie van de jaren dertig zoveel verwoestingen kon aanrichten.

De antwoorden op een crisis kunnen in twee categorieën worden ingedeeld. Het eerste type antwoord richt zich op een institutionele reorganisatie, zodat ondoelmatigheden en perverse prikkels worden weggenomen en de economie soepeler en efficiënter kan functioneren. De tweede, radicalere benadering tracht niet de economie zelf te verbeteren, maar vooral de manier waarop mensen hun leven leiden.

Geen enkele institutionele oplossing is neutraal voor voor de inkomensverhoudingen – en dat is precies het punt waar het politieke debat doorgaans om draait. Reddingsoperaties voor banken en bedrijven leiden onveranderlijk tot bittere controverses, omdat ze sommige wél steun bieden en andere niet. Het te hulp schieten van autoproducenten maakt een goede indruk op werknemers en leveranciers. Maar de kosten moeten door iedereen worden gedragen, inclusief bedrijven die niet worden gered – waarschijnlijk omdat ze efficiënter werken – en daardoor een concurrentienadeel oplopen.

Zulke steunoperaties lijken, kortom, vooral grote bedrijven te helpen die worden bestuurd door slechte managers. Kleine bedrijven zullen altijd klagen dat ze niet genoeg gewicht in de schaal leggen om een beroep te kunnen doen op publieke fondsen. En reddingsoperaties voor banken, waarbij sprake is van rechtstreeks gebruik van overheidsgeld voor de herkapitalisering van noodlijdende instellingen, zijn zelfs nog kostbaarder en politiek impopulair.

De pleitbezorgers van monetaire stimulering betogen dat die methode beter is, omdat de gevolgen neutraler zouden zijn en de voordelen evenrediger zouden worden verdeeld. Maar in werkelijkheid is monetaire stimulering dikwijls net zo selectief als een individuele reddingsoperatie.

De beeldspraak die is gepopulariseerd door de grote monetaire econoom Milton Friedman, luidt dat de centrale bank deflatieproblemen altijd kan aanpakken door geld uit een helikopter te gooien. Maar in de echte wereld bevindt niet iedereen zich onder de helikopter als het geld naar beneden wordt gegooid. In feite is het waarschijnlijker dat de helikopterpiloot vooral vrienden en bekenden zal opzoeken voordat hij het luik opent. En ook al is hij helemáál niet corrupt, de menigte op de grond zal altijd blijven veronderstellen dat met een verborgen agenda wordt gewerkt.

Dat is precies het probleem met het agressieve beleid van liquiditeitsinjecties, ‘kwantitatieve versoepeling’ en renteverlagingen ter bestrijding van de huidige crisis. Vandaag de dag hanteren de centrale banken, net als ten tijde van de Grote Depressie, in de praktijk een nulrente. Spaarders ontvangen vrijwel geen rente over hun deposito’s. Maar als bedrijven en consumenten geld proberen te lenen, komen ze erachter dat dat heel duur is, zo niet onmogelijk. De kredietverleners (de banken) zijn wantrouwig, bezorgd over de kredietwaardigheid en vragen hoge risicopremies. Als gevolg daarvan lopen de kredieten in de meeste landen nog steeds terug.

In de praktijk zijn het louter de banken zelf die toegang hebben tot goedkope leningen. Zij kunnen hun balansen herordenen door goedkoop ‘in’ te lenen en dure kredieten ‘uit’ te lenen. Dat is de reden dat de banken plotseling zo winstgevend zijn. Maar het contrast tussen deze winstgevendheid en de problemen van alle anderen zorgt ervoor dat het politieke rumoer jegens de centrale banken toeneemt. Zij moeten uitleggen waarom uitsluitend hun ‘vrienden’, de banken, degenen zijn die onder de helikopter staan wanneer geld wordt afgeworpen.

De frustratie over de ingewikkelde speurtocht naar eenvoudige oplossingen leidt tot de neiging om radicalere maatregelen te overwegen. Sommigen proberen te sleutelen aan fundamentele menselijke eigenschappen en het gedrag van mensen te verbeteren. In tijden van crisis bloeien altijd utopische ideeën op over het waarborgen van het menselijk geluk, waarbij dikwijls een beroep op een of andere wetenschappelijke basis wordt gedaan.

Lang voor de financiële ineenstorting sloten experimentele economen zich bijvoorbeeld aan bij onderzoek van psychologen naar diverse gradaties van hebzucht. Er lijken bewijzen te zijn die duiden op een verband tussen de aanwezige hoeveelheid van het hormoon dopamine bij mensen en verslaving en hebzuchtig gedrag.

Omdat een algemene hypothese over de problemen in de financiële dienstensector ervan uit gaat dat de schuld moet worden gezocht in de menselijke hebzucht, heeft een Duitse denktank onlangs voorgesteld mensen met een genetische aanleg voor een hoge dopaminespiegel er voortaan van te weerhouden hoge posities bij financiële instellingen te bekleden.

Maar zulke schijnbaar aantrekkelijke strategieën, die gericht zijn op het ‘beter’ maken van mensen, blijken mensen uit te sluiten, en gebaseerd te zijn op willekeurige experimenten. Als het idee zou worden toegepast, zou het Duitse voorstel waarschijnlijk niet alleen roekeloze types buitensluiten, maar ook mensen die aanvaardbare risico’s nemen.

Zowel de institutionele als de op het gedrag gerichte antwoorden op de crisis zijn problematisch. De speurtocht naar technische oplossingen leidt tot politieke polarisatie en kan uitmonden in een impasse. De speurtocht naar de diepmenselijke wortels van de crisis leidt daarentegen naar pogingen om de menselijke natuur te veranderen, die tot mislukken gedoemd en bovendien veel gevaarlijker zijn.

Harold James is hoogleraar geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Woodrow Wilson School van de Universiteit van Princeton en hoogleraar geschiedenis aan de Europese Universiteit te Florence. Hij is de auteur van The Roman Predicament.