Sociale dialoog als wondermiddel

De economische crisis maakt de sociale problemen in veel landen alleen maar groter. Buitenlandse overlegclubs waren deze week in Nederland om het ‘polderen’ te ervaren.

Fabio Castro uit Brazilië wil weten hoe jongeren aan werk komen. Want in zijn land is de jeugdwerkloosheid dramatisch. Claudia Redan uit Paramaribo onderzoekt of Suriname het Nederlandse sociale vangnet kan kopiëren. De Franse Damien Lanel hoopt te horen of het plan van de regering om op zondag de winkels te openen, is tegen te houden. En hoe krijgt China een civil society voor elkaar, vraagt Liu Xiaoping uit Peking zich af.

De vier horen bij een groep van zestig jonge mensen uit alle windstreken, die deze week deelnemen aan een speciale Summer School van de Sociaal-Economische Raad (SER) in Noordwijk aan Zee. De SER, waarin de sociale partners in Nederland en onafhankelijke Kroonleden nauw samenwerken, mag een uniek instrument zijn in het ‘poldermodel’, buiten Nederland blijken ook tientallen sociaal-economische raden te bestaan. SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan heeft vertegenwoordigers van al deze overlegclubs in studiecentrum De Baak uitgenodigd om tegen de achtergrond van de economische crisis ideeën uit te wisselen.

Hoe krijgen sociaal-economische raden gehoor bij hun regeringen? Hoe wordt voorkomen dat de globalisering de sociale ongelijkheid vergroot? Hoe gaan landen om met de huidige economische crisis die iedereen raakt? En hoe worden goede banen geschapen? Dat zijn vragen die de zestig deelnemers uit Azië, Zuid- en West-Europa, Afrika en Latijns-Amerika bezighouden.

Zelfs in tijden van voldoende economische groei lukt het landen onvoldoende om kwalitatief betere banen te scheppen, houdt Milan Vodopivec de groep voor. „Dat is zorgelijk”, stelt de arbeidsmarkteconoom bij de Wereldbank, de ontwikkelingsbank die in veel landen waar de deelnemers vandaan komen projecten heeft. Het aantal mensen dat dit jaar door de crisis zijn werk verliest, kan oplopen tot 51 miljoen, becijfert hij. De werkloosheid in de wereld is de afgelopen twee jaar gestegen van ruim 5 naar 7 procent. En het aantal werkende armen, die gemiddeld zo’n 1,20 dollar per dag verdienen, zal groeien tot 120 miljoen.

„Hoe kunnen we dat veranderen?”, vraagt de Indonesische Prihanani Boenadi van een vakbondsorganisatie. In Indonesië werken door de globalisering steeds meer mensen met onregelmatige contracten omdat dat goedkoper is, zegt ze. „Voor veel Afrikaanse landen is globalisering nog steeds een droom”, reageert Célestin Camara, uit Guinée. „De meeste Afrikaanse landen doen nog steeds niet mee. Hoeveel mensen in Afrika gebruiken een computer?”

Dat is een groot probleem, reageert de Wereldbankeconoom. „Veel mensen hebben slechte banen in de informele sector, die geen enkele sociale bescherming bieden. Hoe worden in een globaliserende wereld meer fatsoenlijke banen geschapen?” Dat is volgens Vodopivec de sleutelvraag. „De armoede zal nooit verdwijnen als een sterke economische groei niet gepaard gaat met het creëren van gezonde banen.”

Precies daarom is Fabio Castro naar Nederland gekomen, vertelt hij later op de dag. Castro, 25 jaar, is lid van een jongerenorganisatie die deel uitmaakt van de Braziliaanse Sociaal-Economische Raad. Dat is vooral een sociale raad. „We zijn minder economisch dan die in Nederland”, zegt hij. De Braziliaanse raad is ook breder opgezet. Behalve de sociale partners zitten er maatschappelijke organisaties in (vrouwen, zwarten, jongeren) en president Luiz Inácio da Silva, bijgenaamd Lula, die oud-vakbondsleider is en voorzitter van de raad. „Daar kijken ze in Nederland van op”, zegt Fabio. „Maar met de president als voorzitter kunnen we meer bereiken.”

En in Brazilië moet veel bereikt worden, zegt hij. Het land heeft 60 miljoen jongeren op een bevolking van 190 miljoen. „De meesten zijn arm, ze hebben tijdelijke baantjes, zijn onverzekerd en hebben geen sociale rechten. Wij knokken voor fatsoenlijk werk voor onze jongeren.” Hoe krijgen andere landen dat voor elkaar, wil Fabio weten.

In Suriname zijn de problemen niet anders, al is de bevolking met 500.000 heel wat kleiner. „We hebben een grote informele sector en veel mensen leven onder de armoedegrens”, zegt Claudia Redan, financieel specialist in het academisch ziekenhuis van Paramaribo en lid van de Surinaamse SER, die in februari is opgericht. „Mensen met een baan zijn via het bedrijf verzekerd, maar we hebben geen vangnet voor mensen zonder baan of met werk in het informele circuit.” Daarom kijkt de Surinaamse raad goed naar Nederland. „De SER in Nederland is heel deskundig. Voor ons is dat een voorbeeld, want wij willen de regering plannen aandragen hoe Suriname een goed sociaal stelsel kan opzetten.”

De groep is deze week bij de SER, de vakcentrale FNV en ING Bank geweest en heeft onderling druk gediscussieerd over de sociale dialoog of het gebrek daaraan in hun eigen land. De economische situatie en de raden mogen in alle landen heel verschillend zijn, iedereen heeft hetzelfde doel, blijkt in Noordwijk.

„Hoe creëren we een betere sociale balans met minder ongelijkheid?”, vraagt Claudia Redan zich af. ‘Polderen’ vindt ze typerend voor een ontwikkeld land als Nederland. „Iedereen praat en praat tot een probleem is opgelost. „Voor Suriname is het al heel wat dat er een sociale dialoog via onze nieuwe raad plaatsvindt en het land niet meer kapot wordt gestaakt.”

Liu Xiaoping keert vol inspiratie terug naar Peking. Hij heeft veel geleerd, zegt hij. Vooral hoe met de sociale dialoog het conflict kan worden vermeden. „China is een ontwikkelingsland”, zegt hij. „De steden zijn modern. We hebben moderne fabrieken, bruggen, wegen. Maar een moderne maatschappij is meer. Ook ons sociale leven moet modern worden”, zegt hij. „Beter onderwijs en betere sociale voorzieningen zorgen ervoor dat mensen in zekerheid kunnen leven.” De civil society heeft in Nederland een lange traditie, heeft hij deze week vastgesteld. „Ik ben ervan overtuigd dat we dit ook kunnen bereiken als we ons sociaal ontwikkelen.”

En waarmee gaat Damien Lanel terug naar Parijs? „We krijgen in Frankrijk te weinig voor elkaar.” Frankrijk heeft met de Conseil Economique, Sociale et Environnemental misschien de oudste en grootste raad, met driehonderd leden. „De SER is kleiner, maar heeft meer invloed. Wij moeten ons vernieuwen en zorgen dat de politiek meer naar ons luistert.”