Met dank aan de windvanen

Zonder Napoleon was het wellicht nooit wat geworden met ons Koninkrijk. Dat blijkt uit het gemak waarmee bestuurders begin 19de eeuw meedeinden met ‘regime-changes’.

Matthijs Lok: Windvanen. Napoleontische bestuurders in de Nederlandse en Franse Restauratie (1813-1820). Bert Bakker, 420 blz. € 29,50

Martijn van der Burg: Nederland onder Franse invloed. Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd, 1799-1813. De Bataafse Leeuw, 352 blz. € 26,-

De Nederlandse natuurkundige, medicus, topograaf, vestingbouwer en militair Cornelis Kraijenhoff – een duivelskunstenaar – deed zijn werk onder vijf achtereenvolgende regimes, die telkens radicaal nieuwe politieke, maatschappelijke en militaire doelen nastreefden. Dat vraagt enige toelichting. Kraijenhoff werd geboren in 1758. In 1787, toen patriotse rebellen de oude stadhouderlijke republiek der Verenigde Nederlanden bijna de das om hadden gedaan, was hij oud (en volleerd) genoeg om een keuze te doen. Hij koos voor de Patriotten, maar dankzij een Pruisische invasie wonnen de Oranjeklanten voorlopig het pleit. Kraijenhoff werkte door – als een boer die voort ploegde.

Acht jaar later keerden de gevluchte Patriotten mét het revolutionaire leger van Pichegru terug naar hun vaderland. Stadhouder Willem V was gevlucht, de Oranjes waren uitgediend, het was tijd voor een nieuwe, Bataafse republiek, en Kraijenhoff bood al zijn diensten aan. In 1806 maakte Napoleon een eind aan de Bataafse onafhankelijkheidsillusies, en benoemde zijn broer tot koning van Holland.

Kraijenhoff kon het goed vinden met de nieuwe machthebber, en werd zijn minister van Oorlog. Toen de Grote Broer nog eens vier jaar later het prille koninkrijk ‘voorgoed’ inlijfde, vond hij in Kraijenhoff snel een integere en bekwame medewerker. Maar helaas: de dagen van de Keizer waren na zijn Russisch avontuur (waaraan Kraijenhoff zijn zonen leende) geteld, en na Waterloo voorgoed voorbij. Kraijenhoff werd eerst de militaire gouverneur van het bevrijde Amsterdam, en daarna de trouwe liniebouwer van koning Willem I van Oranje. En de boer, hij ploegde voort.

Was Cornelis Kraijenhoff een meeloper, een draaikont, een opportunist, een overlever, een collaborateur, een landverrader?

Geen van de invectieven lijkt helemaal te willen kloppen. Hij deed z’n werk, schonk z’n talenten aan wie toevallig aan de macht was, en is in z’n hart waarschijnlijk altijd de jongeman gebleven die hij tussen 1781 en 1787 was: een rebel tegen het karakterloze non-bewind van de laatste stadhouder. En met dát bewind heeft hij aantoonbaar nooit geheuld.

Collaborateur

In de dertig jaar waarin hij nijver aan het werk bleef, was hij weliswaar tijdgenoot van de heftigste opwindingen en de meest drastische uitspattingen zonder dat de mensheid daar achteraf gezien erg mee bleek te zijn opgeschoten – maar dat kom je vaker tegen in de geschiedenis. Als hij zich had moeten verdedigen (maar in de Nederlandse restauratiejaren hoefde eigenlijk niemand zich openlijk te verdedigen), had hij waarschijnlijk de argumentatie van Willem Mengelberg gekozen: mijn werk heeft er altijd boven gestaan.

De Fransen hebben een mooi woord voor de duizenden functionarissen die zo heelhuids mogelijk door de ‘regime-changes’ van tussen 1789 en 1813 probeerden te komen: girouettes, waarin je als het ware de wentelwieken van de eerste autogiro’s hoort meeruizen. Het boek dat in dit verband de meeste goede woorden verdient is van Matthijs Lok, en heet Windvanen – een bijna letterlijke vertaling van het begrip.

Lok begint zijn comparatieve studie met een Nederlander en een Fransman, die naar moderne(re) begrippen het meest beantwoorden aan het signalement van de verstokte collaborateur, De Nederlander was Cornelis Felix van Maanen, die al onder koning Lodewijk Napoleon minister van Justitie was geworden, en dat na de inlijving bleef. Sterker nog: in de nieuwe verhoudingen onder de teruggekeerde Oranje-koning Willem I, werd hem de hoge functie opnieuw toebedeeld, en hij behield de post tot 1830. Dat is één van de feiten waarop Lok de uitspraak baseert dat ‘de vestiging van de Restauratiemonarchie voor een groot deel het werk (was) van de napoleontische bestuurselite’. En Cornelis Felix van Maanen noemt hij ten slotte dan ook ‘de verpersoonlijking van de windvanen en hun rol bij de opbouw van het Koninkrijk der Nederlanden’ Hij formuleert het in laatste instantie nog scherper: ‘Een groot deel van de bestuurders van de beide koninkrijken had deelgenomen aan de voorafgaande revolutionaire en napoleontische regimes. De Restauratiemonarchie zou tot op zekere hoogte dan ook beschouwd kunnen worden als een napoleontische constructie. In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden had tussen 1814 en 1830 twee derden van alle Noord-Nederlandse staatsraden een ambt gehad ten tijde van het Koninkrijk Holland, en de helft tijdens de inlijving. Tien van de 29 Restauratiestaatsraden hadden ook al zitting gehad in de raad onder koning Lodewijk Napoleon.’

‘Zondaren’

Allemaal fout geweest, zouden we in het spraakgebruik van na W.O. II concluderen. Maar in 1813 gold ander spraakgebruik. En zonder de expertise van de windvanen zou er van dat Koninkrijk van ons misschien nooit iets terecht zijn gekomen.

De Franse ‘tegenhanger’ van Van Maanen was Etienne-Denis Pasquier, die na de tweede val van de Keizer ook genoeg reden had om het einde van zijn carrière op Justitie te vrezen: hij gold iets te veel als vertrouweling van Napoleon. Maar zoals Willem I meteen al Van Maanen benoemde in een grondwetscommissie, zo effenden de Bourbons al heel gauw Pasquiers weg naar de departementen van Justitie, Binnenlandse en Buitenlandse Zaken.

Zoals Lok het verhaal van de twee ‘zondaren’ stap voor stap volgt en verklaart – geen van beide landen zag heil in een gepolariseerde nieuwe eeuw, dus de verzoening overheerst – is even leerzaam als leesbaar: bij een heldere structuur is er sprake van grote informatierijkdom. Je kunt je twee dingen afvragen: was Pasquier echt nodig voor het windvanenthema. En is Lok niet al te omzichtig geweest in z’n twee bladzijden korte ‘vergelijking’ tussen 1815 en 1845. Dat onderwerp roept blijkbaar nog altijd veel koudwatervrees op onder historici.

Als we in termen van politiek en bestuur al veel dank zijn verschuldigd aan al dan niet kwalijke windvanen – hoe zit het dan met de invloed die Franse geestverwanten en inlijvers op ons staatsbestel en onze cultuur hebben uitgeoefend in de periode dat ze daar regelrecht de macht toe hadden? Het boek van Martijn van der Burg, Nederland onder Franse invloed, draagt als ondertitel ‘Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd, 1799-1813’, wat misschien een beetje krap bemeten is. Waren de invloeden er niet op z’n minst al in de decennia vóór de eeuwwisseling, en werden ze niet sterker naarmate in de jaren tachtig van de 18de eeuw de politieke ‘verwantschap’ met het pre-revolutionaire Frankrijk gestalte kreeg?

Van der Burg gaat voor de korte periode die hij koos, degelijk, maar wat schools te werk. Alle ‘issues’ komen in hun historische context keurig aan bod – het recht en de Code Napoléon natuurlijk vooral – maar je wordt er als lezer niet ontzettend veel wijzer van; de bevindingen van de auteur raken opgeteld ook niet tot een inzichtelijk beeld van wat we in die veertien jaar nu precies van de Fransen hebben opgestoken. Maar het aardige is natuurlijk dat we, na veel literatuur over de Nederlandse ‘revolutie’-jaren uit het eind van de 18de eeuw, nu ineens uit drie intelligente boeken kunnen kiezen over het nog weinig onderzochte begin van de 19de.

Wilfried Uitterhoeve: Cornelis Kraijenhoff, 1758-1840. Een loopbaan onder vijf regeervormen. Vantilt, 471 blz. € 29,95