'Kom ik hier de hemelpoort mee door?'

Sjoerd Kuyper (Amsterdam, 1952) schrijft gedichten, filmscenario’s, liederen, theaterteksten en vooral kinderboeken. Ruim veertig kinderboeken verschenen er, waarvan vele werden bekroond. Dit jaar ontstond er rumoer nadat Kuyper in een Annie M.G. Schmidt-lezing kritiek op uitgevers uitte. „De lezing raakte aan een groot maatschappelijk probleem. Aan zaken als de snelle behoeftenbevrediging bij het publiek, de graaicultuur, de massaficatie, de hypes, allemaal dingen waar mijn hersens te klein voor zijn.”

Vrijdag was u in het ziekenhuis. Hoe is het nu met u? „Dat weet ik niet precies, ik ben mijn leven opnieuw aan het inrichten. Er is ergens een ader verstopt. Ik heb medicijnen en daarmee kan ik oud worden, maar dan moet ik niet zo doorgaan. Ik werk hard, ik leef intensief. Mijn laatste dichtbundel heet September en dat is ongeveer mijn levensfase. Ik moet dus niet meer dag en nacht om de meiboom dansen. Minder hard werken. Minder roken, niet meer schrijven met een peuk in de mondhoek. Minder drinken. En me minder kwaad maken.”

Doelt u op de Annie M.G. Schmidt-lezing, waarin u de uitgevers hard aanviel?

„De lezing kwam recht uit het hart, met als enig doel om aan te geven hoe we weer mooie kinderboeken kunne schrijven. Maar de nasleep vrat aan mijn hartritme, en aan mijn tijd. En dan al die verdachtmakingen op internet, dat ik alleen maar een breuk met de uitgever wilde forceren.”

De uitgever voelde zich gepikeerd omdat u citeerde uit gesprekken.

„Die gingen niet over persoonlijke zaken, maar over argumenten om mijn boeken niet of niet opnieuw uit te geven. Als je wat vertelt, moet je ook maar alles vertellen. Ik heb van geen enkel woord spijt. Van de lezing zelf bijna wel, want die heeft me opgebroken. Aan de andere kant vroegen mensen uit de zorg: mag ik je lezing gebruiken, dan vervang ik het woord ‘kinderliteratuur’ door ‘zorg’ en dan klopt-ie. En mensen uit het onderwijs zeiden hetzelfde. De lezing raakte blijkbaar aan een groot maatschappelijk probleem. Aan zaken als de snelle behoeftenbevrediging bij het publiek, de graaicultuur, de massaficatie, de hypes, allemaal dingen waar mijn hersens te klein voor zijn.”

In het net herdrukte ‘Josje’ staat: dingen bestaan pas, als er iemand naar kijkt. Komt uw onvrede ook voort uit het feit dat uw oeuvre nog maar voor een klein deel in druk is?

„Deels wel. Het werk verdwijnt als er niet naar gekeken wordt. Maar Josje is vooral een boek over de liefde voor het leven, over met aandacht naar alles kijken.”

En over de werking van literatuur. Josje huilt niet als haar verzorger sterft, maar wel als er een gedicht over de dood wordt opgezegd.

„Heel raar met verdriet is dat er woorden voor moeten zijn om het helemaal te laten doordringen. Zoals je pas huilt als je iemands dood aan een ander moet vertellen. De woorden roepen het verdriet op en bieden tegelijkertijd troost. Daarom zullen dieren wel niet huilen, omdat ze geen poëzie schrijven... behalve katholieke dieren misschien.”

Reve, net als het gebruik van ‘hoeiboei’ in de film ‘Het zakmes’.

„Hij leest over mijn schouder mee als ik schrijf. Als ik denk: Reve vindt het niet goed, dan gaat het de deur niet uit. Zijn invloed zie je in mijn brieven, niet in mijn boeken. Zijn mentaliteit past niet in kinderboeken, hij is toch een man die het hele leven niks vindt en maar met zijn schrijven verder moet. Dat wil ik kinderen niet aandoen.”

Reve heeft wel boeken geschreven vanuit het perspectief van kinderen. Waarom zijn dat toch geen kinderboeken?

„Dat is moeilijk uit te leggen. Ik heb net Werther Nieland herlezen. Reve kijkt daarin door de ogen van een kind, beschrijft de gedachten van een kind en dat doet hij hartstikke goed. Maar de stijl en de toon zijn die van een volwassene. Ik denk dat Reve tijdens het schrijven van buiten naar Werther Nieland keek. Ik kijk door de ogen van mijn jonge personage naar buiten; al ben ik niet zo’n hystericus die roept dat-ie altijd acht jaar oud is gebleven. Kinderboeken gaan altijd over de lezer, volwassen boeken gaan over de schrijver.”

In ‘De ondergang van de familie Boslowits’ zegt de jeugdige hoofdpersoon over een schrijfbord: ‘Ik had nooit met de mogelijkheid rekening gehouden dat zoiets kon bestaan’. Een heel herkenbare ervaring?

„Ja, zulke zinnen maken een boek tot volwassen literatuur. De observatie kun je opschrijven in een Robin-boek voor kleuters, maar dat worden andere zinnen. Meer ‘hij had nooit kunnen denken dat...’ en dan iets kleins. Bijvoorbeeld de verbijstering van Robin als hij ziet dat iemand én een sigaar rookt én een pepermuntje eet.”

Hoe komt u aan dergelijke kleine en precieze observaties?

„Het zijn mijn eigen herinneringen. De Robin-boeken zijn grotendeels autobiografisch. Ik kan zo de plattegrond tekenen van het dorp waar ik opgroeide. In Robin zitten elementen van mijn eigen kinderen, die nu volwassen zijn, maar vooral van mijn eigen kindertijd. Ik kreeg op mijn vierde een zusje, net als Robin. En toen ik tien jaar werd, kreeg ik mijn broer Hans als verjaarscadeau. Maar Hans komt niet in de Robins; zo lang ga ik niet door met Robin.”

Uw broer Hans schrijft ook kinderboeken. Wat vindt u van zijn werk?

„Hij schrijft erg veel. Eigenlijk wordt hij in de lezing ook aangevallen, besefte ik later. Mijn vader zei altijd: Hans is de verteller en Sjoerd is de schrijver. Zijn verhalen zijn goed, maar de stijl is niet bijzonder. Het is niet wat ik zoek in mijn werk, namelijk een schoonheid die alleen op papier kan bestaan. Poëzie, ook in mijn proza.”

Schoonheid op papier. U bent doorgebroken met een film, ‘Het zakmes’.

„Als je van een scenario een boek maakt, kun je er wel wat meer binnenwereld instoppen, maar het schema van de film moet je volgen. Het voelt alsof je overschrijft. Als ik een Griffel krijg voor een dun boekje, voel ik me ook raar. Ik ben verschrikkelijk calvinistisch. Als iemand me een klap op mijn bek geeft, zeg ik nog sorry. In het ziekenhuis schijn ik twintig keer sorry te hebben gezegd.”

Heeft film u ook iets geleerd?

„Ja, dat het leuk is om met een knal te beginnen in plaats van met een rustige opbouw.”

De filmboeken zijn ook wilder. De film ‘Morrison krijgt een zusje’, waarin een baby wordt ontvoerd, voelt als een stoute tegenhanger van ‘Robin en Suze’.

„Morrison begon als een verfilming van Robin en Suze, maar de spanning wilde er niet inkomen. Toen bedacht mijn vrouw Margje dat Robin in zijn kinderlijke geest denkt dat hij het huis uit moet om plaats te maken voor de baby. Zo kreeg je een mooie film. Maar het was niet meer Robin; zijn ouders zouden het misverstand doorhebben. Met twee ouders die goed opletten, heb je nooit een film.”

Wel een boek?

„Ja, boeken beschrijven een binnenwereld, die bijna te klein is voor woorden, maar net niet voor mijn woorden gelukkig.”

Is de veilige warme wereld van Robin een soort voorbeeldwereld?

„Lezers halen het er wel uit: iedereen gunt zijn kind zo’n wereld, lees ik soms. Eigenlijk wil ik laten zien hoe een dromerig klein jongetje de wereld ervaart. De dood. De liefde.”

Is de liefde in ‘Robin is verliefd’ bewust gecombineerd met de dood?

„Het is een waardeloze opmerking voor een schrijver, maar toen ik verliefd was, stierf mijn oma echt. [lacht]. Het werkt goed, want haar dood gaat ook over de liefde, namelijk die voor een oud omaatje. Eigenlijk gaat alles over liefde en dood. Ook in Josje, een van mijn fijnste boeken. Dat stroomt in 80 pagina’s door het leven zoals ik dat voor me zie.”

In ‘Josje’ stoppen de dieren hun verdriet weg in een kast en verliezen alle gevoelens. Mag verdringen niet?

„Waar geen diepte is, is ook geen hoogte. Je moet een manier vinden om met verlies om te gaan. Wij hadden altijd veel huisdieren, dan konden de kinderen vast wennen aan de dood. Maar je kunt 27 schildpadden en 28 katten begraven, het went natuurlijk nooit.”

In ‘De gebroeders Leeuwenhart’, het meesterwerk van Lindgren, springen kinderen naar een hiernamaals. Hoe vindt u dat?

„Moeilijk, want die sprong wordt als zeer aantrekkelijk voorgesteld. Ik weet niet of ik dat zou doen. Josje sterft als ze oud is, dat kan een kind begrijpen. Maar kinderen horen niet dood te gaan. Anderzijds, de dood zit nog niet zo in kinderen, en dan is het misschien juist een troostboek, voor als vriendjes doodgaan. Misschien ben ik te voorzichtig, te veel van de tere kinderziel. Kinderen kunnen meer hebben dan je denkt, maar je weet nooit van tevoren wat.”

De hemel duikt geregeld op in ‘Robin en god’. Was uw opa gelovig?

„Nauwelijks. Hij was wel iets protestants. En ik ben met hem naar de kerk geweest met Kerst. We kwamen krom van het lachen thuis. Dat verslag ervan staat bijna letterlijk in Robin. Ik heb mijn opa meer teksten over religie gegeven. Mijn vader heb ik fel anti-religieus gemaakt, terwijl het de man in werkelijkheid niets uitmaakte of iemand geloofde of niet. Dat heb ik geleerd van de film, om zo’n conflict aan te scherpen.”

Het religiedebat zoals opa en vader dat voeren lijkt nu te polariseren

„Verschrikkelijk. Nu moet er op scholen ruimte gemaakt worden voor creationisme. Ze proberen weer in te grijpen in euthanasie en in abortus. Ik vind het heel eng.”

Toch hebben christelijke partijen dezelfde kritiek op de markt als u.

„Bij alles wat ik doe, denk ik eigenlijk: kom ik hier de hemelpoort mee door? En bij het invullen van de stemwijzer moet ik oppassen niet bij de christelijke partijen uit te komen, moet ik een beetje vals spelen. Maar uiteindelijk ga ik uit van eigen verantwoordelijkheid, niet van een hogere macht.”

Nog even over de liefde. Waarom staan in uw boeken opdrachten aan uw vrouw Margje?

„Dat is uit liefde, maar ook omdat ze een enorme steun is bij het schrijven. Je groeit samen op en steeds dichter naar elkaar toe. Totdat je één vlees bent. Je gaat steeds meer op elkaar lijken. Zoals ik beschrijf in het slotlied van de musical Turks fruit.”

Hoe beviel de musical?

„Erg goed. Het maken van liedteksten en het samen creëren. De acteurs en actrices zijn in het algemeen zeer leuke mensen, van wie energie uitstraalt. Musical schrijven zal mijn toekomst worden, want er is veel vraag. Het zal ook wel moeten. Ik wil hier blijven wonen en mijn boeken leveren niet zoveel meer op.”

Geen boeken meer?

„Het is nu niet aan de orde. Als ze al mijn werk herdrukken hoeft geen kind te klagen. Ik wil een laatste Robin schrijven en dan is het materiaal uit mijn jeugd op. Daarna ga ik misschien echt iets nieuws doen. Ik wil een keer echt losgaan. Van de meeste boeken had ik de indeling van hoofdstukken al af op het moment dat ik ging schrijven. Maar sommige collega’s hebben een beginbeeld en gaan dan gewoon schrijven. Dat lijkt me veel leuker, op avontuur met je hoofdpersoon. Maar ik ben nu niet gemotiveerd om kinderliteratuur te schrijven.”

En helemaal terugtrekken uit de wereld?

„Ik heb wel eens gedacht: misschien is het iets voor mij, je terugtrekken in een commune. Maar ik zag eens zo’n commune en schrok van de lethargie. Ik voer de strijd liever in deze wereld. Ik wil knokken om adrenaline te krijgen.”

Dit is deel 8 in een reeks zomerinterviews met prominente Nederlandse schrijvers. Eerdere afleveringen op nrcboeken.nl