Kiezen op de Antillen

Minister-president De Jongh-Elhage wil de parlementsverkiezingen op de Nederlandse Antillen, die in januari 2010 zouden worden gehouden, uitstellen in de hoop en verwachting dat ze vervolgens helemaal niet meer hoeven te worden georganiseerd. Want de Nederlandse Antillen worden per 1 oktober 2010 als staatkundige eenheid opgeheven, zo is afgesproken. Het parlement verdwijnt dan.

De Antilliaanse premier weet zich gesteund door de Raad van State van het Koninkrijk der Nederlanden, die het logisch vindt dat het mandaat van het zittende parlement wordt verlengd. Dit blijkt uit een advies dat deze week officieus bekend werd. Het wachten is nog op een commentaar van de Raad van Advies, het hoogste adviescollege van de Antilliaanse regering. En op een beslissing van de Antilliaanse Staten (het parlement), die slechts bij tweederde meerderheid kunnen besluiten om de verkiezingen uit te stellen.

Het is dus de vraag of het zover komt. En het is ook niet gewenst dát het zover komt. Al lijkt het praktisch en pragmatisch om af te zien van verkiezingen voor een land dat op het punt staat om te worden afgeschaft. Daartoe is, na jaren van moeizame en complexe onderhandelingen, dit jaar besloten in overleg tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en de vijf afzonderlijke eilanden.

Het besluit werd voorafgegaan door een referendum op Curaçao, waarbij de verdeelde eilandbevolking zich met een nipte meerderheid (52 procent) voor verzelfstandiging uitsprak. Curaçao en Sint Maarten worden, in navolging van Aruba, zelfstandige landen binnen het koninkrijk, terwijl Bonaire, Sint-Eustatius en Saba Nederlandse gemeenten worden.

Het nieuwe parlement zou eind maart aantreden en dus nog maar een half jaar voor de boeg hebben. Als de beoogde datum van de verzelfstandiging, 1 oktober, toch niet haalbaar blijkt, kan de regering tot 1 september besluiten alsnog verkiezingen uit te schrijven.

Uitstel lijkt logisch. Maar toch. Verkiezingen zijn de ziel van een democratie. Er zijn niet of nauwelijks legitieme redenen denkbaar om ze uit of af te stellen, zelfs niet in een land dat als zodanig vrijwel geen toekomst meer heeft.

Volgens de premier zit „niemand te wachten” op de verkiezingen. Gezien de woede bij de oppositie over haar voornemen is dat een bewering die evident onjuist is. Ze laadt bovendien de verdenking op zich dat ze geen verkiezingen wil uit vrees voor een nederlaag. Juist of niet – zo’n suggestie moeten volksvertegenwoordigers altijd zien te vermijden.

Natuurlijk zijn de verkiezingen riskant voor de voorstanders van de verzelfstandiging en ontvlechting van de eilanden – onder wie de Nederlandse regering. Als de oppositie wint, bestaat het risico dat de afspraken hierover weer eens op losse schroeven komen te staan. Dat is zeker niet te hopen. Maar op basis van de verkiezingsuitslag kan dan wel de constatering worden gedaan dat dit blijkbaar de wens van de Antilliaanse bevolking is. Het is een cliché. Maar het klopt wel: democratie is niet voor bange mensen.