Even in de vulkaan kijken

Darwin zag hem als zijn tweede zon en de Duitse auteur Daniel Kehlmann maakte van hem een kolderiek romanfiguur. Wie was die Alexander von Humboldt?

‘Geographie des Plantes Equinoxiales’ (1796), uit een van de 34 delen waarin de reis resulteerde die Alexander von Humboldt en Aimé Bonpland in 1799 maakten naar de Nieuwe Wereld AKG-Images Humboldt,A.v./Plantes Equinoxiales Humboldt, Alexander Freiherr von Naturforscher und Geograph Berlin 14.9.1769 - ebd. 6.5.1859. Querschnitt von Suedamerika: "Geographie des Plantes Equinoxiales. Tableaux physique des Andes et pays voisin. Par Alexandre de Humboldt et Aime Bonpland." Aquatinta, Paris, 1810/15. picture-alliance / akg-images

Ottmar Ette: Alexander von Humboldt und die Globalisierung. Insel, 476 blz. €25,50

Manfred Geier: Die Brüder Humboldt. Eine Biographie. Rowohlt. 349 blz. €19,90

Dit jaar is het 150 jaar geleden dat Darwins The origin of species verscheen – het kan niemand zijn ontgaan. Veel minder aandacht werd tot nu toe besteed aan Alexander von Humboldt (1769-1859), die dit jaar 150 jaar dood is. Toch bestaat er wel degelijk een verband. Het is namelijk de vraag of Darwin ooit tot zijn meesterwerk zou zijn gekomen zonder Humboldt. Toen hij nog theologie in Cambridge studeerde, las Darwin al in zijn eerste jaar met groot enthousiasme Humboldts verslag over zijn vijf jaar durende reis door Midden-Amerika, en zijn reactie was: dat wil ik ook.

Twee jaar later, in 1831, was het zover. Aan boord van de Beagle vertrok hij naar Zuid-Amerika voor een bijna even lange reis. Onderweg deed hij de ervaringen op waaruit zijn evolutieleer is voortgekomen. Maar de tropische natuur die hij aantrof, begroette hij al meteen met een geestdrift die hij deels aan Humboldt te danken had. Want, zo lezen we in Darwins reisdagboek, ‘als een tweede zon verlicht hij alles wat ik waarneem’.

Dat de jonge Darwin in 1829 Humboldts reisverslag las, is overigens geen wonder. Dat deed iedereen destijds in Europa. Weinig natuurwetenschappers waren beroemder dan de Pruisische geleerde en ontdekkingsreiziger. Pas na 1859 is het met zijn roem geleidelijk bergafwaarts gegaan, onder meer doordat alle aandacht uitging naar Darwins theorieën. Weer een paar jaar later dacht men bij de naam Humboldt niet meer in de eerste plaats aan Alexander, maar aan zijn twee jaar oudere broer Wilhelm, Pruisisch diplomaat, liberaal filosoof, groot taalkundige en als vriend van Schiller en Goethe een van de theoretici van de Weimarer Klassik die vooral na 1871 in Duitsland werd vereerd als hét hoogtepunt van nationale kunstzin.

Alexander von Humboldt heeft tot na de Tweede Wereldoorlog moeten wachten totdat hij in Duitsland weer een beetje in de gratie kwam. Een van zijn handicaps (maar na 1945 werd dat opeens een voordeel) was zijn francofilie. Zelfs zijn broer Wilhelm, toch zeker geen rabiaat nationalist, maakte zich zorgen om de ‘Duitsheid’ van zijn jongere broer, die liever in Parijs woonde dan in zijn geboorteplaats Berlijn en die het merendeel van zijn boeken in het Frans schreef. Ook de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon in 1806 bracht hem niet op andere gedachten, al had hij twee jaar later met zijn Ansichten der Natur wel de uitdrukkelijke intentie om de ‘bedrukte gemoederen’ van zijn landgenoten te verheffen door ze op aansprekende wijze te confronteren met de grootsheid van de natuur.

Tegenwoordig staat Alexander von Humboldt volop in de belangstelling, dankzij een reeks heruitgaven en dankzij Daniel Kehlmanns alom vertaalde besteller Die Vermessung der Welt (Het meten van de wereld). Samen met de grote wiskundige Carl Friedrich Gauss wordt Humboldt door Kehlmann ten tonele gevoerd als een komische, ietwat potsierlijke en zeer Pruisische geleerde, die de hele dag in de weer is om alles wat hij op aarde tegenkomt te meten. Dat is niet helemaal een karikatuur, want Humboldt geloofde inderdaad meer in meetbare empirische feiten dan in metafysische speculaties en theorieën. Maar dat het hem uitsluitend om een mathematische benadering van de natuur te doen was, berust op dichterlijke vrijheid.

In zijn Alexander von Humboldt und die Globalisierung maakt Ottmar Ette zich vreselijk kwaad over Kehlmann en de in zijn ogen funeste ‘Kehlmannisering’ van Humboldt. Een beetje begrijpelijk is het wel: doe je jarenlang je best, als serieuze specialist, om Humboldt weer onder de aandacht te brengen, en dan gaat een oneerbiedige schrijver met een vlotte pen, die hele en halve waarheden door elkaar husselt tot een smakelijk verhaal, met je held aan de haal. In feite doet Kehlmann niets anders, aldus Ette, dan teruggrijpen op een humeurige brief van Schiller, waarin Humboldt wordt afgeschilderd als ‘het naakte, snijdende verstand, dat de natuur schaamteloos wil hebben opgemeten’. Wat heeft het voor zin om deze clichés (die toen al niet klopten) nog eens te herhalen?

Schiller hield niet van Alexander von Humboldt – Goethe wel. In de jongere broer van Wilhelm zag hij een groot talent en hij deed zijn uiterste best hem te interesseren voor zijn eigen ‘morfologische’ aanpak van de natuur, waarbij het niet zozeer ging om mathematische proporties als wel om zintuiglijke waarneming en ervaring. Goethes ideeën vielen bij Humboldt in vruchtbare aarde. Diens Ansichten der Natur bewijzen het. Niet toevallig spreekt Humboldt er over een ‘fysiognomie der gewassen’ en roept hij zowel ‘de gloeiende fantasie van de dichter’ als ‘de beeldende kunst van de schilder’ te hulp om de overweldigende ‘majesteit’ van de tropische natuur recht te doen.

Mede onder invloed van Goethe leerde Humboldt de natuur ook als een geheel te zien, waarin alles doel en middel tegelijk was. Dit holistische aspect van zijn denken maakt hem nog altijd actueel, vindt menigeen. Ottmar Ette ziet er zelfs een reden in om Humboldt uit te roepen tot de pionier van een nieuwe ‘globale’ wetenschapsopvatting, gedragen door een waarachtig ‘wereldbewustzijn’, transdisciplinair, intercultureel, kosmopolitisch en vooral flexibel en beweeglijk. Het klinkt geweldig, maar Ette herhaalt het zo vaak en vermengt zijn pleidooi met zoveel politieke correctheid en postmodern jargon, dat je bijna een hekel aan Humboldt gaat krijgen.

[Vervolg op pagina B02

Het Goetheaanse ideaal van het geheel doemt op

[Vervolg van pagina B01

Het is waar dat hij Europa en de Europese cultuur niet automatisch als hét middelpunt van de wereld zag, dat hij een open oog had voor de waarde van andere culturen (zoals die van de Inca’s en de Azteken), dat hij zich tegen doods systeemdenken keerde en dat hij onder het motto ‘Alles is wisselwerking’ liefst alles met alles verbond, waardoor zijn Geheel van verstarring gevrijwaard bleef. Maar het is onzin hier iets volkomen nieuws of postmoderns van te maken; het toont eerder aan dat de empiricus Humboldt, via Goethe, ook het nodige van de Romantiek had meegekregen.

Het nadeel van Ettes poeha (Humboldt als hét alternatief voor de huidige economische globalisering) is dat je amper een beeld krijgt van wie of wat Humboldt nu zelf is geweest. Veel bevredigender in dat opzicht is de fraaie dubbelbiografie van Manfred Geier Die Brüder Humboldt, die zich zowel qua psychologische analyse als stilistische elegantie op Safranski-niveau beweegt.

Het is zinvol beide broers samen te behandelen, want hoezeer ook tegengesteld aan elkaar, ze waren hun leven lang dol op elkaar. Samen opgevoed, na de vroege dood van hun vader, door een kille, vormelijke moeder en enkele talentvolle huisleraren, zijn ze elkaar nooit uit het oog verloren. Het waren, schrijft Geier, complementaire karakters, vandaar de combinatie van grote verschillen en wederzijdse verknochtheid. Wilhelm was formeel, op het innerlijk gericht, levend binnen de kleine kring van vrouw, kinderen en een paar gelijkgestemde vrienden. Alexander was enthousiast, actief, expansief en wellicht homoseksueel, in elk geval ‘homofiel’, gelet op zijn vele hartstochtelijke mannenvriendschappen. Over hun verschillende relatie tot Duitsland hebben we het al gehad. Ook Wilhelm was trouwens niet per se aan Berlijn gebonden, het liefst van al woonde hij in Rome, waar hij een tijdlang was gedetacheerd als Pruisisch gezant bij de Heilige Stoel. Alexander zou de hele wereld wel willen bereizen.

Zijn grote kans kwam in 1796, toen hun moeder overleed, tot verdriet van geen van haar beide zonen. Het fortuin dat hij erfde, stelde Alexander in staat zijn grote reis zelf te financieren. Met zijn Franse metgezel Aimé Bonpland vertrok hij op 5 juni 1799 naar de Nieuwe Wereld. Op Tenerife keek hij in de krater van een nog werkende vulkaan, in het huidige Venezuela ontdekte hij in een reusachtig grottencomplex de vetvogel (guacharo), in een tot kano verbouwde boomstam bevoer hij maandenlang de Orinoco, stroomopwaarts, om de flora en fauna van het tropisch regenwoud te bestuderen en de verbinding met de Amazone te vinden, het eiland Cuba bracht hij zowel geografisch als cultureel in kaart (inclusief een fel protest tegen de slavernij op de suikerrietplantages), in de Andes beklom hij de gedoofde vulkaan de Chimborazo, destijds beschouwd als de hoogste berg ter wereld, zonder helemaal de top te bereiken; voorts ontdekte hij de koude golfstroom ten westen van Midden-Amerika die nu de ‘Humboldtstroom’ heet, gaf hij Mexico net zo’n behandeling als Cuba en confereerde hij in Washington met de Amerikaanse president Jefferson.

Op 1 augustus 1804 waren de twee ontdekkingsreizigers weer terug in Europa en de dertig jaar die daarop volgden, heeft Humboldt gebruikt om zijn bevindingen op schrift te stellen; hij vulde er niet minder dan 34 delen mee en werd wereldberoemd. Iedereen was nieuwsgierig naar zijn avonturen, zijn sublieme ervaringen in de tropen, waarbij hij meer dan eens zijn leven op het spel had gezet. Desondanks blijkt uit alles dat Humboldt onderweg, in de hitte van het oerwoud of de ijzige kou van een besneeuwde bergtop, de tijd van zijn leven heeft gehad. Reizen in dienst van de wetenschap, in het gezelschap van een goede vriend, ziedaar zijn grootste geluk. Het zou (afgezien van kleinere reizen binnen Europa) een eenmalig geluk blijken, want toen hij in 1829 een tweede grote reis maakte, door Rusland ditmaal, pakte alles heel anders uit.

De reis vond plaats op uitnodiging van de tsaar, en dat betekende dat Humboldt niet zomaar zijn gang kon gaan. Hij werd vergezeld door een heel gevolg en moest onderweg aan allerlei officiële verplichtingen voldoen. Het belangrijkste was niettemin (daarom had hij de invitatie aangenomen) dat hij eindelijk een voet in Azië kon zetten, tot aan de Chinese grens. Het was altijd zijn droom geweest om na Amerika ook dat geheimzinnige continent te leren kennen.

Hier doemt het Goetheaanse ideaal van het Geheel (das Ganze) weer op. Het ging Humboldt om een wetenschap en een kennis die de hele wereld zou omvatten. Wat er in die 34 delen van zijn Amerikaanse reisverslag stond, was maar een fractie van wat hem werkelijk voor ogen stond. De laatste twintig jaar van zijn leven, toen hij uit Parijs was teruggekeerd naar Berlijn, stonden in het teken van dat ambitieuze ideaal. In de vijf delen van Kosmos. Entwurf einer physischen Weltbeschreibung vond het zijn weerslag. In dit werk probeerde hij bovendien de kloof tussen natuur- en geesteswetenschappen te overbruggen.

En ook nu is evident dat het hem geenszins te doen was om een ‘opeenhoping van empirisch verzamelde enkelvoudige gegevens’. Zoiets wilde hij juist voorkomen. Daartoe was geest nodig, een geest die interpreteert en combineert, kortom, die van alle gegevens een samenhangend geheel maakt, precies zoals de wereld zelf dat is. ‘Wetenschap’, schrijft Humboldt in het eerste deel van Kosmos (1845), ‘is de geest die zich naar de natuur heeft toegewend’. Het boek werd zo niet alleen een synthese van de wereld, maar ook van alles waar Humboldt zich zijn leven lang mee bezig had gehouden.

In de eenheid van natuur en cultuur werd ook de mensheid als onderdeel van de natuur beschouwd. Daarbij roerde Humboldt terloops de kwestie aan van ‘de mogelijkheid van een gemeenschappelijke afstamming’ van mens en dier. Helaas bleef het bij deze ene vermelding, de tijd of de energie om er uitvoerig op in te gaan, ontbrak blijkbaar. Het laatste deel van Kosmos kwam niet meer af en moest postuum verschijnen. En wat Darwin van de kwestie had gemaakt, heeft hij niet meer kunnen lezen. Alexander von Humboldt, bijna 90 jaar oud, overleed op 6 mei 1859 – zes maanden vóór het verschijnen van The origin of species.