En Adam vroeg zich af waar de liefde was gebleven

Jutta Richter: De oorsprong van alles. Vertaald door Dorienke de Vries. Brandaan, € 14,90.

Het verloren geluk van de kindertijd is Jutta Richters thema. Grote mensen zijn uit het paradijs verdreven – door hun eigen schuld. Zodra zij de vraag naar de zin van het leven stellen is het mis. Dan slaat de twijfel toe, de melancholie, de wanhoop. Omdat elk kind die drempel naar de volwassenheid over moet, richt Richter zich op een jong publiek. De 54-jarige moeder, oma en theologe behoort tot de bekendste kinderboekenschrijfsters van het Duitse taalgebied. ‘Voor kinderen moet je schrijven als voor volwassenen. Alleen beter’, vindt ze, in navolging van Maxim Gorki.

Toch is haar nieuwste boek niet echt geschikt voor kinderen. Want de hoofdpersoon van De oorsprong van alles is geen kind of jongere, maar een oude man. Adam, de eerste mens, kijkt terug op zijn leven. Verbitterd vraagt hij zich af waar de liefde is gebleven. Eva was de vervulling van al zijn wensen – en het begin van het einde. Want Eva neemt geen genoegen met wat de Heer hen toestaat. Eva wil almaar meer. En Adam is te zwak om haar tegen te houden. Ze moeten de tuin verlaten die zo lang hun thuis was. Niet omdat ze de appel hebben opgegeten, zegt de Heer, maar omdat Adam de vriendschap met Hem heeft verloochend. Het paar staat in de kou.

Maar dan komt het kind, Kaïn, en dat is een geluk. Een breekbaar geluk, want Kaïn lijkt op Eva, ook hij kent geen grenzen. Pas als Abel er is, de tweede zoon, die naar Adam aardt, lijkt alles volmaakt. Alleen de Heer weet dat met de liefde van de vader voor dit ene kind een nieuwe tragedie begint.

De zondeval mondt uit in een moord en onder een ontroostbare maan praat Adam, de oude, met een wijze poes. Die poes speelt in het boek een belangrijke rol. Soms voert ze zelf het woord. Of de verteller kiest haar perspectief en dan denkt de poes dit: ‘Zo zijn de mensen immers? Naderhand zeggen ze altijd dat ze het niet wilden. Maar eerst doen ze precies wat ze niet willen en geen kat ter wereld zal dat ooit kunnen begrijpen…’

De oorsprong van alles houdt het midden tussen een parabel en een sprookje. Archaïsche zinnelijkheid verbindt zich met krachtige poëzie. Die tegelijk teder is. Een beperkt aantal dingen, bezield en onbezield, geeft kleur aan de compacte tekst. De maan, de kat, de wind, de poort, de bron: uit veel meer dan dat bestaat Adams wereld niet. De simpele, lichte taal draagt moeiteloos de zware inhoud.

Alles wat ook al in Richters bekroonde jeugdboek Der Hund mit dem gelben Herzen (De hond met het gele hart, 2000) aan de orde kwam, komt in haar nieuwe tekst verhevigd terug: vriendschap en het verraad daaraan, onbehuisdheid en de zoektocht naar geborgenheid, opgaan in de ander en de onvermijdelijke ervaring van grote eenzaamheid. Anders gezegd: De oorsprong van alles is een gelijkenis over schuld en verzoening, over haat en liefde, over kosmische zekerheden en religieuze twijfels. Ook wie niets van religie moet hebben wordt door Richter aan het denken gezet. En wel hierover: hoe kan het dat de mens, die vol verlangen naar het welslagen van de liefde en het leven is, toch steeds de mist in gaat?

Adam en Eva zijn in. Ralf König schreef over hen en Ingo Schulze (Adam und Evelyn) ook. Schulze stuurt het paar, na de Val van de Muur, naar het Westen om daar het verloren paradijs te zoeken: zijn boek heeft een politieke dimensie. Richter houdt zich verre van politiek. En van antwoorden. De schrijfster, die samen met een heleboel katten in een echt kasteel woont, schuwt prozaïsch realisme. Hoe helder haar taal ook is, één geheim blijft toch bewaard. Het is het geheim van de schoonheid.