Een zeehaven op het platteland

In de zomerserie over bijzondere reisboeken: een invloedrijk reisjournaal over de drie Engelanden van J.B. Priestley.

J.B. Priestley: English Journey Great Northern Books, 320 blz. € 30,99

Engeland is nog altijd Engeland’, noteerde schrijver J.B. Priestley driekwart eeuw geleden in zijn reisboek English Journey. Reden voor deze euforie was een bezoek aan een kantoorklerk in Blackburn die in zijn vrije tijd aquarel schilderde en een begenadigd boogschutter bleek te zijn. Het was een man naar Priestley’s hart: een deugdelijke huisvader, een goede burger en een gedreven hobbyist. De katoenindustrie mag er dan wel ineengestort zijn, schreef Priestley, zolang het verpauperde graafschap Lancashire zulke mannen voorbrengt, is er hoop. Deze hoopvolle en humanistische toon kenmerkt het reisverslag.

De sociaal-bewogen Priestley, onder meer bekend van het toneelstuk An Inspector Calls, reisde in het najaar door het land om meer te weten te komen over hoe zijn landgenoten leefden, werkten en zich vermaakten. Zijn toer bleef indertijd niet onopgemerkt want de societyrubrieken van enkele dagbladen berichtten over een akkefietje met een hotelreceptionist in Newcastle. De maandenlange rondreis leverde een invloedrijke reiskroniek op die onlangs heruitgegeven is. Deze heruitgave is niet alleen tijdig omdat het eiland net als toen in een crisis verkeert, maar ook omdat de lastige vraag waar England, of het bijbehorende Englishness, voor staat, weer actueel is. Door de mist, sigarettenrook en zwaveldioxide heen ontwaart Priestley drie verschillende ‘Engelanden’. Het eerste is het 18e-eeuwse, arcadische Engeland. In de Cotswolds bijvoorbeeld bezoekt Priestley onder anderen een traditionele metselaar, een zonderling die niets van moderne techniek moet hebben en een edelman die midden op het platteland een zeehaventje wil aanleggen. Het is het land waar weinig verandert, of nog veranderen zal. De Cotswolds hebben hun portie industrie gehad, maar deze verdween net voordat de industriële revolutie uitbrak.

De overblijfselen van het ‘tweede Engeland’ treft Priestley vooral in het noorden aan. Dit is het Victoriaanse Engeland van ijzer, wol, zeepieren, arbeidersclubs, molens, spoorwegstations, stadhuizen en roodgekleurde (of zwartgeblakerde) rijtjeshuizen. In de schaduw van deze twee landschappen ziet Priestley het ‘derde Engeland’ opkomen, gekenmerkt door goedkope massaproductie, tuinsteden vol bungalows, Woolworths, cocktailbars, benzinepompen en elektronisch amusement. Priestley heeft weinig met dit 20e-eeuwe Engeland, dat Amerika als haar spirituele vaderland heeft. Volgens hem is de massacultuur funest voor de plaatselijke diversiteit. Vroeger had elke stad zijn eigen theatercultuur, zo mijmert hij herhaaldelijk, nu is overal dezelfde film te zien.

Het ideaal van Priestley is de synthese tussen de eerste twee Engelanden. Dat blijkt het geval te zijn in fabrieken waar spullen worden gemaakt die hij dagelijks benut. Of het nu gaat om chocoladerepen in Birmingham, typemachines in Leicester, servies in Stoke, Daimlers in Coventry en locomotieven in Swindon: overal ziet hij enthousiaste ambachtslieden die met machines werken, maar er geen slaven van zijn. ‘Perhaps the kindly influence of Nicotina herself was at work here,’ suggereert Priestley na een bezoek aan een tabaksfabriek te Bristol. In deze plaats looft hij de burgers die een eigen krant waren begonnen toen de lokale kranten werden opgekocht door Londense persbaronnen. Tegenover deze burgerlijke trots en onafhankelijkheid van geest plaatst Priestley de ‘Amerikaanse’ usance om anderen te laten bepalen waarvan je moet houden, met passiviteit tot gevolg.

Zorgen maakt Priestley zich over De Grote Depressie in het noorden, van de dokwerken in Liverpool tot ijzer in Middlesborough, van de katoen in Manchester tot de wol in zijn geboorteplaats Bradford. Terug in het Londense Highgate Village vervloekt hij de City-werkers die door hun hang naar winst zorgen voor een horrible dingy muddle of life in het noorden. Is het ethisch verantwoord om een machine te installeren die 800 mensen werkloos maakt, vraagt hij zich retorisch af. Waarom heeft de regering geen groot reddingsplan? Priestley werd medeoprichter van de Common Wealth Party. Die streed voor een menselijk economisch systeem. De socialistische splinterpartij ging aan intellectueel gekibbel ten onder, maar Priestley’s radiopraatjes tijdens WO II droegen bij tot de vorming van de verzorgingsstaat. Die bracht een einde aan de ergste financiële misère, maar het door Priestley verfoeide ‘Derde Engeland’ zou overwinnen.