Een luchtballon is hoofdpersoon

Twintig jaar na zijn dood is de bijna vergeten Amerikaanse schrijver Donald Barthelme geëerd met een biografie.

Tracy Daugherty: Hiding Man. A biography of Donald Barthelme. St Martin’s Press, 560 blz. € 26,99

Donald Barthelme (1931-1989) is de schrijver van absurdistische korte verhalen die op het hoogtepunt van zijn roem, eind jaren zestig, begin jaren zeventig, wel ‘de hoop van de Amerikaanse literatuur’ werd genoemd. Sinds zijn overlijden in 1989 is hij snel in de vergetelheid geraakt. Zijn verhalenbundels werden niet herdrukt en zijn naam viel nog maar zelden.

Inmiddels is er sprake van enige herwaardering. In 2007 verscheen een aantal niet eerder gebundelde verhalen. Het tijdschrift McSweeneys wijdde vorig jaar een nummer aan Barthelme. Populaire jonge schrijvers als George Saunders, Jonathan Safran Foer en Dave Eggers erkenden hun schatplichtigheid. En begin dit jaar verscheen Tracy Daughty’s lijvige, in de VS enthousiast ontvangen biografie.

Donald Barthelme parodieerde naar hartelust en ironiseerde bij het leven. Plot en karakter waren daarbij van ondergeschikt belang aan vorm. Elk verhaal moest volkomen anders zijn dan alle voorgaande verhalen. En dus promoveerde hij een luchtballon tot hoofdpersoon. Of was ‘Donald Barthelme’s Fine Homemade Soups’ niets meer of minder dan wat de titel al suggereerde, een recept voor (ossenstaart)soep. Verhalen als ‘a series of pleasure bursts’ (zoals George Saunders ze in McSweeneys omschreef) zaten vol ready-mades en jargon uit wetenschap, politiek en reclamewereld, maar werden evenzeer gekenmerkt door een melancholie die zomaar in een enkel woord kon opduiken, bijna schoorvoetend. Het gaf Barthelmes absurdistische universum iets breekbaars.

Zijn verhalen waren stevig gegrondvest in het modernisme van Beckett, Joyce en Kafka, en waren beïnvloed door de vormtaal van Le Corbusier en Ludwig Mies van der Rohe – zijn vader was architect. Toen de vrolijke jaren zestig en zeventig plaats maakten voor de ontnuchterende (conservatieve) jaren tachtig, raakte Barthelme uit de gratie. In het veranderde maatschappelijke klimaat was niet langer behoefte aan Barthelme’s ironie en experiment, schrijft Daugherty. Het realisme (‘Minimalism’) van schrijvers als Raymond Carver en John Cheever maakte de dienst uit. Volgens Daugherty moet de hernieuwde interesse voor Barthelmes werk in de laatste jaren mede politiek worden verklaard: ‘Barthelmes absurditeiten en satires lijken weer helemaal up-to-the-minute’ Ook is er inmiddels een nieuwe generatie schrijvers die Barthelme onbevooroordeeld kan lezen.

Belangstelling is er inmiddels genoeg. De recente publicaties getuigen daarvan. Maar het is de vraag of een schrijver als Barthelme anno 2009 nog prominent in een mainstream blad als The New Yorker zou kunnen publiceren. Volgens Dave Eggers zou Barthelme weinig kans maken: ‘Proza zoals dat van Don B – dat tegelijkertijd speels, subtiel en mooi is, en naar poëzie neigt, (in zijn ambivalentie tegenover het verhalende), meer dan welk ander proza ook – zou nu worden gezien als frivool, als niet serieus. In het grootste deel van mainstreamproza is een „verkrantingsproces” gaande, waarbij stilistische afwijkingen zijn verboden en stilistische vernieuwing wordt gezien als gebrek aan engagement.’

Dit moge zo zijn, maar als de biografie iets duidelijk maakt, dan is het dat Barthelmes boeken ook in die speelse, experimentele jaren zestig en zeventig, nauwelijks verkochten. Veel meer dan 1.000 dollar in een jaar verdiende hij er niet mee. Barthelme leefde jarenlang van bij The New Yorker en andere tijdschriften losgebedelde voorschotten, schreef filmrecensies en bedacht reclameteksten voor het bureau van zijn (tweede) echtgenote. De geldproblemen eindigden pas toen Barthelme begin jaren tachtig New York verliet om in zijn geboortestad Houston aan de universiteit schrijfles te geven. Het is deze keerzijde van Barthelmes schrijverij die in de biografie prachtig zichtbaar wordt. De verkoopcijfers van zijn boeken zorgden ervoor dat hij afhankelijk was van de kritieken en dat het hem krenkte wanneer The New Yorker een verhaal afwees, wat ondanks zijn status regelmatig gebeurde.

Depressie en eenzaamheid schemeren door in de biografie, net als alcoholisme, maar tegelijk valt vooral Barthelmes geldingsdrang op – en zijn tomeloze energie. Barthelme, de Texaan met de cowboylaarzen die naar New York vluchtte op zoek naar het ware literaire leven, leidde, zeker in New York in de jaren zestig, het leven van een nachtvlinder, maar dat weerhield hem er niet van om elke ochtend weer in alle vroegte aan het werk te gaan. Want Barthelme nam het schrijven zeer serieus. Alles moest ervoor wijken, tot echtgenotes aan toe. Hoe onzeker hij bij tijd en wijle ook was over de waarde van zijn verhalen.

De kracht van de biografie schuilt er niet alleen in dat Daugherty, bij ontstentenis van egodocumenten van Barthelme zelf, een indrukwekkende lijst personen wist te spreken die Barthelme van nabij meemaakten, en zo een overtuigend en bij wijlen ontroerend portret heeft weten te schetsen van de man die op de universiteit ooit Daugherty’s docent was. Ook overtuigt Daugherty als hij probeert aan te tonen dat het taalspel en de ironie in het werk van Barthelme geenszins vrijblijvend waren. Met zijn verhalen ageerde Barthelme juist ook tegen de politieke en maatschappelijke werkelijkheid van zijn tijd; tegen de oorlog in Vietnam, natuurlijk, maar ook tegen propaganda, het misbruik van taal door machthebbers, of het nu politici betrof dan wel grote bedrijven. Taal moest zich steeds weer vernieuwen. In Barthelme’s eigen woorden: ‘to keep it free of political and social contamination, safe from co-optation by commercial interests.’ En zijn verhalen vormden daaraan een bijdrage. De gefragmenteerde werkelijkheid in die verhalen was de wereld zoals Barthelme die waarnam en die hij, met een knipoog, spottend en relativerend verwerkte.

Blijft de vraag hoe het komt dat in die verhalen Barthelmes humor de tand des tijds zo wonderwel lijkt te hebben doorstaan. Heeft het ermee te maken dat, zoals Eggers schreef, Barthelme in zijn verhalen zo’n aardige man leek ‘...who wants you to be in on his jokes, not sit gazing in admiration?’ Waarom is het moeilijk niet hardop te lachen als de copywriter in ‘See the moon’ verzucht: ‘There was no particular point at which I stopped being promising’.

Dat zijn proza nimmer het grote publiek bereikte deed hem verdriet, maar weerhield hem er niet van de spot te drijven met zijn wonderlijke positie als niet-verkopend sterauteur: ‘Elke schrijver in dit land is in staat een mooie zin te schrijven, of misschien wel honderd. Mijn interesse gaat juist uit naar de lelijke zin die ook op een of andere manier schoonheid bezit. Ik geef toe dat dit een hoogst gespecialiseerde onderneming is, vergelijkbaar met, om maar iets te noemen, de productie van schaamhaarpruikjes, maar het is nu eenmaal wat ik doe. Misschien heb ik wel helemaal niets van het literaire bedrijf begrepen.’

Verhalen van Barthelme zijn te lezen op http://www.eskimo.com/~jessamyn/barth/