De stad ga je niet uit, maar je kunt er wel naartoe

Stad en platteland groeien steeds meer naar elkaar toe. Welke verschillen zijn er nog? Zesde deel van een serie: uitstapjes.

Vanochtend zaten ze nog in Diergaarde Blijdorp, om vervolgens in de Spido te stappen. Daarna: de Euromast. Het is al wat later op de middag als Joanne de Jong (71) en Maria Brans (74) vanaf de toren uitkijken over de havens van Rotterdam, de stad waar ze wonen.

De vrouwen kennen elkaar van het badminton in Rotterdam. Nu ze gepensioneerd zijn, maken ze graag dagtochtjes. „Bijna altijd in Rotterdam. Vanuit Zuid ben ik binnen vier minuten met het openbaar vervoer op de Blaak”, zegt Maria Brans. „Kun je nagaan wat voor geluk wij hebben, in vergelijking met de mensen die in de provincie wonen”, zegt Joanne de Jong, wier dochter in Drenthe woont. „Daar hebben ze amper een buslijn.”

Haar badmintonvriendin vult aan: „Zoveel activiteiten bij elkaar, dat heb je alleen in de stad. Op het platteland zitten de bejaarden maar achter geraniums. Dus daar komen we niet zo vaak.”

Stedelingen zijn eerder geneigd in de stad te recreëren, blijkt uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) uit 2006. Van alle dagtochtjes van stedelingen blijft 81 procent binnen stedelijk gebied.

Zo ook op de Euromast, waarop te zien is hoe de verstedelijkte Rijnmond reikt tot aan de heiige horizon op een broeierige zomerdag. Marketingmedewerker Jennifer Rasmijn wijst bovenop de toren naar de bezoekers („jaarlijks 25.000”). „Ze komen uit deze omgeving: Rotterdam, Schiedam, Gouda. Ook van het platteland, maar veel minder.”

Waar stad en platteland volgens het SCP steeds dichter naar elkaar groeien, blijft een verschil bestaan tussen de manier waarop er wordt gerecreëerd. Stedelingen blijven liefst in steden, terwijl mensen van het platteland iets vaker ‘overal’ komen: zij ondernemen dagtochtjes naar stedelijke gebieden (38 procent van de tochtjes) én naar het platteland (58 procent), aldus het SCP. Dat is te zien op de Euromast: op deze zomerdag valt te horen hoe mensen via een „plankie” met het „liffie” omhooggaan, terwijl een gezin in de top van de mast met een zachte g „geniet van het uitzicht”.

Waar de Euromast beide groepen trekt, staat er op de Utrechtse Heuvelrug een toren met een ander publiek: de Piramide van Austerlitz. Midden tussen de naaldbomen is dit een plek waar mensen uit de stad hooguit in hun jeugd ooit op schoolreisje zijn geweest. Vervolgens kwamen ze er niet meer terug.

„Het zijn vooral fietsers uit de omgeving die hier stoppen om te komen kijken”, zegt Antwan van der Aa, bedrijfsleider van café-restaurant De Pyramide. De fietsers komen uit het nabijgelegen Woudenberg, Maarn of Scherpenzeel, veel minder vaak uit Utrecht of Amsterdam, dat op drie kwartier rijden ligt. Van der Aa denkt dat het komt doordat de mensen in hun eigen stad „blijven rondhangen”. Waarom zouden mensen de auto pakken naar de Piramide als de tram voor de Euromast stopt, vraag hij zich af. „Mensen van het platteland zijn sowieso gewend langere afstanden af te leggen, omdat veel van de voorzieningen nu eenmaal verder liggen. Die mensen vinden het niet erg om voor een hunebed of een piramide wat langer in de auto te zitten.”

Het beeld dat stedelingen niet vaak op het platteland recreëren, wordt bevestigd in Austerlitz. Bovenop de piramide (in 1804 gebouwd als eerbetoon aan Napoleon, en geïnspireerd op de piramide van Gizeh), komen op een namiddag mensen uit Drunen, Voorst, Elspeet en Woudenberg. Maar geen Randstedelingen. Het lijkt wel alsof die liever torens bestijgen met uitzicht op havenkranen, dan over de toppen van de naaldbomen op de Utrechtse Heuvelrug.

Astrid de Koning (68) en Jan van den Berg (79) uit Drunen (bij Waalwijk) vinden dat maar raar. „Mensen uit de steden weten niet wat ze missen.” Vorig jaar waren ze ook op de Euromast, een uitje met de ouderenvereniging, maar de Piramide bevalt beter. Minder druk, meer natuur, vinden ze. Zitten zij vaak achter de geraniums, zoals hun Rotterdamse generatiegenoten op de Euromast bevroedden? „Welnee”, zegt De Koning. „Bij ons heb je de Drunense Duinen, de maneges, de boerderijen, de koeien. Genoeg te doen en te zien.”

Hoewel ze is opgegroeid in Rotterdam, mijdt ze tegenwoordig de „overbevolkte” stad. „Rotterdam is Rotterdam niet meer. Er woont nu een ander soort mensen. In zijn algemeenheid hebben de mensen in de stad hun fatsoen verloren; het hoeven niet eens mensen met een kleurtje te zijn. Als ik de Van Brienenoordbrug passeer, ben ik blij dat ik er weer weg ben.”

Lees de eerste vijf delen op nrc.nl/binnenland