Zet de landbouwlobby buitenspel in het Westerscheldeconflict

Boeren hebben de verzilting van de Hedwigepolder tegengehouden.

Het Westerscheldeconflict is dus niet door ‘de groene jongens’ veroorzaakt.

Nog even en het is zover. Dan herleeft het jaar 1830, en trekken Vlamingen en Hollanders ten strijde. De wapens bestaan uit boycots van Zeeuwse mosselen en Belgisch bier. De inzet is hoog als eeuwen geleden, toen het machtige Antwerpen het aflegde tegen de nieuwe wereldmacht Amsterdam, met als curieuze deviatie dat het nu Rotterdam is dat de havens aan de Schelde door slinkse arglistigheid te gronde zou richten. De Nederlandse ambassadeur is op het Gentse matje geroepen, en het Westerscheldeverdrag dreigt een waardeloos vod te worden. De Zeeuwse commissaris van de koningin, Karla Peijs, spreekt schande over de natuurbeschermers die de procedure tegen het uitdiepen van de vaargeul startten, en hun gelijk bij de Raad van State haalden. Ook dat hoge bestuurscollege moet het ontgelden. Kamerleden pleiten weer voor een noodwet om de vigerende Europese Habitatrichtlijn terzijde te kunnen schuiven.

Het zijn potsierlijke gebeurtenissen, een waar Köpenicks tafereel, dat door alle betrokkenen zelf is geschreven en geregisseerd.

De Westerschelde en de Eems-Dollard zijn de enige Nederlandse riviermondingen die conform de normen van Natura 2000 als habitattype ‘H1130’ gelden. Die gebieden zijn zeldzaam, en van levensbelang voor talloze vogelsoorten en zeeorganismen. De kwaliteit ervan geldt officieel als slecht. Uitdiepen vergt baggerwerkzaamheden en leidt tot afname van de hoeveelheid zogeheten laagdynamische droogvallende (zand- en slib-) platen. Het bij baggeren opwervelende slib heeft effect op de onderwaternatuur. Er is geen deskundige die kan vertellen of dit alles wel of niet erg is; wel is duidelijk dat de onzekerheid over de aan te richten schade waarschijnlijk permanent is. Als oplossing wordt gedacht aan zogeheten flexibel storten van extra zand op de plaatoevers, al naar gelang dit ecologisch nodig zou blijken. Hoe ingenieus ook, het voorstel stuitte meteen op identieke bezwaren. Teveel onzekerheden.

De Raad van State heeft als taak activiteiten die in of nabij een Natura 2000-gebied moeten plaatsvinden, te toetsen aan de wet. Als er zoveel onzekerheid bestaat, dan volgt vrijwel automatisch een uitspraak als die welke nu tot de Tweede Vlaamse Twisten leidt. En het wordt er niet vreedzamer op, want dat er spoedig een verandering optreedt in deze patstelling is niet erg waarschijnlijk.

Vrijwel niet genoemd is het gegeven dat de Zeeuwse landbouwlobby medeschuldig is aan het drama, toen deze een mogelijke oplossing voor het conflict tegenhield. De Habitatrichtlijn voorziet in de plicht nieuwe natuur aan te leggen om het komende verlies teniet te doen. Daarom werd al jaren geleden gekozen voor ontpoldering, ofwel het verzilten van de Hedwigepolder, van 300 hectare land aan de rand van de Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen. Zo’n ingreep leidt vrijwel zeker tot nieuwe, interessante natuur. Had men dit doorgezet, dan zou de natuurlobby hebben afgezien van het vaargeulprotest. In een vlaag van arrogante verstandsverbijstering zijn partijen door de knieën gegaan voor het behoud van driehonderd hectare aardappelen en drassig gras. Dat is tenslotte veel belangrijker dan die natuur, toch? Dat die nieuwe natuur de expliciete conditie is om de vaargeul te verdiepen, werd wonderlijk genoeg gemakshalve terzijde geschoven.

In bestuurlijke kringen wordt tegenwoordig veel krachttaal gebezigd om nu maar eens flink ‘door te pakken’ en al die softe types van de bloemetjes en de vogeltjes een lesje te leren. Maar niet de groene jongens, maar de landbouwers hebben het probleem veroorzaakt. Zet hen voorlopig buitenspel, en het Westerscheldeconflict is binnen een jaar opgelost. Dan mogen de boeren weer aanschuiven.

Wouter van Dieren is directeur van milieuadviesbureau IMSA