Plots stond de Hongaarse straat vol verlaten Trabantjes

Een picknick in een Hongaars grensdorp werd het begin van het einde van het IJzeren Gordijn. In 1989 vertrokken DDR-burgers er massaal naar het Westen.

Voor een Hongaarse jongen van zes waren al die rennende buitenlanders een onbegrijpelijk beeld. Laszlo Szabo zat op 19 augustus 1989 op de stoep voor zijn huis te kijken naar de honderden Oost-Duitsers die voorbij kwamen en hun bezittingen van zich af gooiden. „Hun verleden kon ze niets schelen. Ze wilden alleen maar naar Oostenrijk.”

De volgende dag stond de straat vol verlaten Trabantjes. Toen die typische DDR-wagens er een paar maanden later nog stonden, werd een loting georganiseerd, weet een oudere Hongaar nog. Een vriend van hem heeft nog altijd een caravan in gebruik die hij toen kreeg.

Szabo, student informatica, zit met vrienden in het gras in het herdenkingspark waar twintig jaar geleden de grenspicknick plaatsvond die het begin van het einde van het IJzeren Gordijn inluidde. Het is een onopvallend veld met jonge bomen. Een marmeren beeld van een openstaande deur en in de verte een wachttoren herinneren aan de gebeurtenissen die dit stukje Hongarije opeens een plek in de wereldgeschiedenis gaven.

Wat door de lokale organisatoren was bedoeld als een klein vriendschapsinitiatief tussen buurlanden, werd de eerste massavlucht van Oost-Duitsers naar het Westen. Ingefluisterd door Hongaarse en West-Duitse politici dromden zo’n zeshonderd mensen samen bij de kleine grensovergang, die speciaal voor de picknick een paar uur open zou zijn. De overrompelde Hongaarse grenswachters lieten ze passeren. In de daaropvolgende weken zwol de stroom aan tot zo’n vijftigduizend vluchtelingen.

Voor Szabo is het de normaalste zaak van de wereld om naar Oostenrijk te gaan, vooral sinds Hongarije in 2004 lid werd van de EU. De boodschappen zijn er goedkoper, het beste zwembad van de regio ligt net over de grens. Hij vindt het raar dat hij zich zelfs niet kan herinneren hoe ‘het IJzeren Gordijn’ er eigenlijk uitzag. Het stond maar honderd meter van zijn huis, mijmert hij, terwijl op de achtergrond de toespraken klinken van hoogwaardigheidsbekleders uit Boedapest, Brussel en Berlijn.

Van de Duitse bondskanselier Angela Merkel tot de Hongaarse president László Sólyom en lokale burgemeesters, ze herhalen allemaal dezelfde grote woorden. Over moedige grenswachters die hun hart volgden. Zo werd de deur opengezet naar vrijheid en het einde van de dictatuur. Het staat ook achterop het nieuwe monument dat wordt onthuld: „Een onderdrukt volk opende de poort van zijn gevangenis om een ander onderdrukt volk naar de vrijheid te helpen”.

Bezoekers luisteren, maar zonder echt op te letten. Net zoals toen: wat op deze onopvallende plek gebeurde, was hogere politiek. De Hongaarse regering durfde erop te gokken dat Sovjetleider Gorbatsjov niet zou ingrijpen als Hongarije Oost-Duitsers liet ontsnappen. Een strategische zet in een internationaal schaakspel, waarvan op dat moment niemand de gevolgen kon overzien.

De hervormingsgezinde communisten in Hongarije improviseerden. De eigen dictatuur werd in hoog tempo milder. De Hongaren hadden inmiddels zelf vrijwel allemaal een paspoort waarmee ze het land uit mochten. Verandering hing in de lucht en dat voelden ook de tienduizenden Oost-Duitsers die op vakantie waren in Hongarije en niet meer weggingen.

„We wisten alleen dat we een oplossing voor de vluchtelingen moesten vinden”, vertelt Imre Pozsgay, vicepremier in de communistische hervormingsregering in de zomer van 1989. „De regering was niet van plan hen terug te sturen naar de DDR. We verzonnen de picknick.”

Pozsgay, een vierkant postuur in donkerblauw pak, staat schaapachtig naast een dikke, in het wit geklede man die op de grensweg met gedragen woorden 56 duiven vrijlaat: „Verbind Oost en West, net als twintig jaar geleden.” Een dag eerder heeft Pozsgay een aantal vluchtelingen van destijds ontmoet. „Heel ontroerend.” Sommige mensen hadden hun kinderen meegenomen, vertelt hij.

Josepf Ardner woont aan de Oostenrijkse kant, pal aan de grens. Hij is inmiddels 84 en fanatiek lid van de vriendschapsvereniging tussen de grensgemeenten. Twintig jaar geleden ging het van buur naar buur: „Er is iets loos, de Oost-Duitsers komen. Ik pakte mijn camera en fietste erheen. Voor ons was het ook speciaal.”

Hij laat de foto’s zien. Een grasveld vol mensen in trainingspakken, haarmatjes, typische outfits uit de jaren tachtig. De weg over de grens een onverhard pad. Een jongen rolt een stuk prikkeldraad op om de grens verder te ontmantelen. De sfeer lijkt ontspannen, een Hongaarse beambte poseert voor de foto achter zijn slagboom, het zou een popfestival kunnen zijn. Eenmaal in Oostenrijk werden de vluchtelingen met bussen afgevoerd. Op latere krantenfoto’s zwaaien ze blij met nieuwe West-Duitse paspoorten. Minder dan drie maanden later viel ook de Berlijnse Muur.