Koude kip verplicht

Er is echt niets aan te doen: er moet worden gepicknickt. En wie picknick zegt, zegt, in feite, toch, eigenlijk: koude kip.

Waarom is dat zo? Daarom. Het zal wel ooit een meisjesboek zijn geweest, lang geleden, waarin koude kip en appeltaart in een mand werden meegenomen voor de picknick, of was het misschien in J.B. Schuils Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen? De Katjangs, Thijs en Tom, zijn bij hun oom en tante in de kost omdat hun ouders in ‘Indië’ zijn en zij een ‘Hollandsche’ opvoeding moeten krijgen. Die oom en tante geven de jongens nooit genoeg te eten en op een avond moeten ze zelfs helemaal zonder eten op hun kamer zitten. Dan komt een vriend die van zijn moeder een mandje heeft meegekregen, en dat mandje hijsen de jongens stiekem hun kamer in en dan zit er koude kip en appeltaart in. Althans, zo herinner ik me dat.

De appeltaart hoeft niet per se mee uit picknicken, maar de koude kip is min of meer verplicht.

Keek eens even in Claudia Rodens Picnics: and other outdoor feasts, een boek dat niet uitsluitend voor deze dagen is geschreven, want het geeft ook veel tips voor buiten eten als het koud is, of eten voor de reiziger, of voor vuren stoken. Ze heeft het ook niet steeds over kip, taart en aardappelsalade, maar denkt ook aan een Japanse picknick of een Arabische of aan een compleet bruiloftsfeest in de tuin met fruitsalade voor veertig mensen.

Evenzogoed komt die koude kip komt er in voor. En dan zegt ze dat braden niet zo geschikt is als je je kip juist koud wilt eten, omdat-ie echt sappig moet blijven. Maar pocheren wel, en vooral: een hele kip in folie. In de oven. Je smeert ’m in met olie, doet een ui in zijn buikholte, duwt overal waar je maar kunt kruiden en eventueel knoflook tussen, verpakt het ding stevig in folie en dan bak je hem in een hete oven (220) in een uur gaar.

Koud eten. Heerlijk!

Wat ook kan, als je wel, toch, per se, wilt braden, is denken aan de kippenvleugeltjes. Die worden nooit droog, ze zouden niet eens weten hoe ze dat moesten doen. Die kluif je heerlijk weg, je kunt zelfs met Romeinse allure de botjes achter je gooien als de locatie dat toestaat. En vleugeltjes krijgen koud ook vanzelf iets lekker gelei-achtigs.

Deze zijn Libanees, vooral door de sesamsaus erbij.

Wrijf de kippenvleugels in met paprikapoeder en komijn en leg ze in een ondiepe schaal. Knijp de knoflook uit boven een kommetje, vermeng met 4 eetlepels olijfolie en het citroensap en giet dat over de kippenvleugeltjes. Laat een halfuurtje staan, keer in die tijd de vleugels een keer om.

Maak in de tussentijd de saus. Pers de knoflook uit boven een kom. Doe er een snuf zout, de cayennepeper en de tahin bij, prak goed door elkaar, giet er een deel van het citroensap bij, klop goed, proef, en beslis of er meer citroensap bij moet. Als het mengsel wel zuur genoeg is, maar nog erg dik, verdun het dan verder met water.

Verwarm de (oven)grill. Leg de vleugels op een rooster, bestrooi ze met zout en rooster ze aan beide zijden tot ze mooi goudbruin en zacht zijn – ongeveer twintig minuten. Eet ze met de saus en met je handen.