Knussen heeft geen tijd voor fratsen

Het Nat. Jeugdorkest vraagt jaarlijks een componist om met de jonge musici te werken aan eigen muziek. De Brit Oliver Knussen blijkt zeer precies en streng.

„Listen please!” maant de dirigent zijn jonge musici. Tijdens de repetitie, deze ochtend in de Apeldoornse schouwburg Orpheus, is de Britse componist/dirigent Olivier Knussen (1952) zichtbaar geïrriteerd. Op de lessenaars ligt Richard Strauss’ grensverleggende symfonisch gedicht/celloconcert Don Quixote (1897). En al klinkt het zeker voor een tweede repetitie indrukwekkend, het is niet genoeg. Knussen is een perfectionist. Een strijkerstremolo moet vier keer over, evenals een donker pruttelende fagot.

Ieder jaar nodigt het Nationaal Jeugd Orkest een internationaal toonaangevend componist/dirigent uit om gedurende meer dagen met de jonge musici te werken, onder meer aan eigen werk. Na onder anderen John Adams, György Kurtág, Mauricio Kagel en Sofia Goebaidoelina is dit jaar de beurt aan de Brit Olivier Knussen; beroemd als dirigent én als componist van muziek die een eigentijds geluid paart aan wat de Britten noemen „schaamteloze genietbaarheid”.

De leden van het Jeugdorkest, vrijwel zonder uitzondering gevorderde conservatoriumstudenten, vinden Knussen een geweldige dirigent, zegge ze. Om zijn ‘typisch Britse’ sarcasme. Maar ook door zijn beruchte temperament. „Hij herhaalt een aanwijzing hooguit één keer. Gaat het dan nog niet goed, dan wordt hij boos”, zegt een van hen. Al gebeurt dat niet vaak. „Knussen weet heel precies wat hij wil, en weet ook heel goed hoe hij dat moet bereiken.”

Zijn dirigeerstijl vinden de leden van het jeugdorkest exact, ritmisch. Dat hij in Don Quixote vrijwel geen rubato gebruikt – dat viel hen op. „Hij dirigeert strak en snel. Er is geen tijd voor fratsen.”

Maar Knussen is niet alleen maar precies en streng. Hij maakt ook grapjes, bij voorbeeld tegen de eerste violen. „Every time it becomes pretty, you slow down!”

Vindt u dat musici teveel expressieve vrijheid nemen op het gebied van timing, bijvoorbeeld door het gebruik van rubato?

Knussen: „Je bewijst een componist als Strauss daar geen dienst mee. Hij gebruikte het zelf als dirigent ook zeer spaarzaam. Je moet de vaart erin houden, en de kleuren helder. Dan komt de ijzersterke architectuur van de muziek pas tot zijn recht. Natuurlijk komt er altijd iets van je persoonlijkheid in een uitvoering terecht, maar ik hou nu eenmaal van helderheid.”

In uw eigen composities is die heldere structuur ook altijd belangrijk. Het is vaak onmogelijk om, ondanks de onmiskenbare lyriek, uw muziek te horen zonder daarbij aan uw strakke dirigeerstijl te denken.

„Ja, maar dat werkt twee kanten op. Ik dirigeer ook uitsluitend stukken die mij als componist hebben beïnvloed. Er zit een zekere samenhang in.”

Werkt u met deze jonge musici in gelegenheidsverband anders dan met een bestaand orkest vol routiniers?

„Nee, eigenlijk niet. Ik vind het uitvoeringsniveau hier ook verbazend hoog. Ik hoef maar weinig te zeggen, en dat is goed. Hoe minder er wordt gepraat tijdens repetitie, hoe beter voor de muziek.”

Geldt dat ook voor moderne muziek, die de musici nog nooit eerder gespeeld hebben?

„Leer mij orkestmusici kennen – mijn vader was er één! Bij zo’n stuk van Strauss leren ze allemaal van hun meer ervaren collega’s ‘hoe je dat nu eenmaal speelt’. Maar het stuk van Birtwistle dat we spelen, kent niemand hier. Zo’n schone lei is heerlijk voor een dirigent.”

NJO Symfonieorkest o.l.v. Oliver Knussen. Werken van DebWerken van Debussy, Birtwistle, Knussen en Strauss. 22/8 en 23/8 NJO Muziekzomer, 24/8 Amsterdam en 26/8 Kopenhagen. Info: www.njo.nl.