Ingehouden trots

Een eigenaardige gewaarwording. In het Frihedsmuseet, het Deense verzetsmuseum in Kopenhagen, stuit ik op een foto waarop een stukje van de stad staat afgebeeld dat mij inmiddels vertrouwd is. Elke dag lopen we erdoor op weg naar ons hotel. Het is op een hoek van het Koninklijk Theater, bij een doorgang die de August Bournonvilles Passage heet. Er staat een beeld van de Deense schrijver Adam Oehlenschläger, die zittend op een stoel over het plein voor hem uitkijkt.

Het beeld en de omringende gebouwen zien er nog precies zo uit als destijds, maar er is één belangrijk verschil: een Duitse tank wijst met zijn vuurmond dreigend naar het plein. Het is april 1940, Duitsland heeft Denemarken bezet.

Ik bezocht het museum vooral om te zien hoe de Denen omgaan met een bijzonder stukje van hun geschiedenis: de manier waarop ze hun Joden hebben gered. Ze doen het met gepaste, ingehouden trots, kan ik melden.

De redding van de Joden is slechts een van de vele thema’s waarin het museum de Deense geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog heeft onderverdeeld. Een prominent thema, dat wel.

Op een landkaart staat aangegeven hoeveel Joodse slachtoffers er in allerlei Europese landen vielen. Een greep: Nederland 102.000, België 28.518, Frankrijk 76.134, Duitsland 160.000, Oostenrijk 65.459, Italië 6.513, Noorwegen 758, Denemarken 116.

Cijfers die te denken geven, vooral dankzij het lage aantal in Denemarken. Nu had Denemarken ook niet zoveel Joden – 7.000 – maar het blijft opmerkelijk dat zij vrijwel allemaal de dodendans konden uitspringen.

Het museum laat zien hoe dat ging: de bedreigde Joden werden snel gewaarschuwd en zo vlug mogelijk van straat gehaald en op onderduikadressen ondergebracht. Het verzet werd daarbij actief geholpen door een belangrijk deel van de verontwaardigde bevolking.

Daarna was het zaak de onderduikers vooral via zee naar Zweden te smokkelen. Dat is met meer dan 90 procent van de 7.000 Joden gelukt. Toch slaagden de nazi’s er nog in 481 Deense Joden naar het concentratiekamp Theresienstadt te deporteren. Maar slechts 52 van hen stierven, de anderen overleefden dankzij een miraculeuze deal van de Deense autoriteiten met de nazi’s, die hen niet doorzonden naar vernietigingskampen.

Niet dat de Denen steeds heiligen waren geweest in deze oorlog – dat maakt de reddingsactie juist des te opmerkelijker. De Deense regering had tot augustus 1943 gecollaboreerd. Toen die strategie uiteindelijk mislukte en de regering aftrad, kwam de kentering. De Duitsers eisten de Joden op en vanaf dat moment wist de bevolking wat haar te doen stond.

Ik loop verder door het museum en lees een brief van een Deense vader. Ook geen heilige. Hij wendt zich in oktober 1941 boos tot ‘Herrn Max Hannig uit Kiel’, een Duitse soldaat die zijn dochter zou hebben bezwangerd. „Met het oog op deze ernstige toestand waarin U mijn dochter gebracht heeft, verlang ik bij dezen dat U deze zaak onmiddellijk en volledig in orde maakt […] Ik heb de mededeling gekregen dat U meent dat U het niet zijn kunt.” Maar zijn dochter, bezweert de vader, kent geen enkele twijfel, en ook haar moeder kan getuigen dat zij een eerlijk karakter heeft.

Zouden die ouders na 1943 nog zo graag grootouders van een Duitse soldatenzoon zijn geworden?