Europa is niet sexy

Een moord in Breda krijgt een bericht in de krant; een moord in Essen, vlak over de Belgische grens, wordt geen vermelding waard geacht, tenzij het een politieke of bijzonder gruwelijke moord is. Hetzelfde gebeurt bij moorden in respectievelijk Vaals of Aken. Wat dat betreft is de pers – zijn de media, moet ik zeggen – altijd neerlandocentrisch geweest. Bij de buitenlandse media was het niet anders overigens.

Maar is het, nu de inter-Europese grenzen grotendeels weggevallen zijn, wél anders geworden? Hoe ver dringt de Europese Unie tot de media door, ja tot de binnenlandse politiek, waarvan de media een afspiegeling zijn? Dit hebben de politicologen (prof.) Jos de Beus en Jeannette Mak onderzocht, wat Nederland betreft.

Van het resultaat van hun onderzoek doen zij verslag in een boek waarvan de titel, De kwestie Europa (Amsterdam University Press), niet iedereen, vrees ik, naar zijn boekhandel zal doen hollen. De ondertitel zegt meer: Hoe de EU tot de Nederlandse politiek doordringt. Voor politicologisch ongeschoolden is het boek zo nu en dan een kluif, maar eenvoudigeren van geest vinden er toch ook hun gading. Dat is vooral het geval wanneer de media ter sprake komen.

Het onderzoek leidt tot de „conclusie dat er langzamerhand een nieuwe nationale consensus is ontstaan rond de algemene steun voor lidmaatschap van de uitgebreide EU in combinatie met een nadruk op subsidiariteit (beperkte groei van Europese bevoegdheden), grenzen aan verdere expansie, het Nederlands belang en een actieve controlerende taak voor het Nederlandse parlement”.

De oude consensus – gedeeld door een elite die, zolang het goed ging, bijna automatisch door de rest gevolgd werd – was veel ‘Europeser’, zo niet ‘federalistischer’. In de laatste decennia is daar verandering in gekomen. Nu is er sprake van „een omvangrijk neerlandocentrisme in het Europese debat en de berichtgeving daarover in de pers”.

Dit neerlandocentrisme is een uiting van een depolitisering (in de zin van verzakelijking) die zich, op haar beurt, „uit in afwezigheid dan wel zwakte van een fundamenteel en breed debat. Concreet betekent dit dat Europese onderwerpen een bijrol spelen in de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen”, waartussen weinig principiële verschillen van mening bestaan aangaande Europa (wanneer we afzien van SP en PVV).

Deels heeft dit te maken met het verlies van Nederlandse invloed, dat op zichzelf een natuurlijk verschijnsel is: in een club van Zes (waartoe het oorspronkelijke Europa beperkt was) is die invloed natuurlijk groter dan in een club van 27, die de EU nu is geworden. Een ander gevolg van die uitbreiding is dat bij de grote landen de neiging groeit de zaken onderling te bedisselen, wat ook niet bepaald een Nederlands belang is.

Hoe dan ook – het Nederlandse geluid dringt minder vaak door tot de beslissingscentra. Dat maakt dat de media hun belangstelling voor Europa verliezen. Europese zaken hebben minder nieuwswaarde. Anders gezegd: Europees nieuws is niet sexy, zoals de hoofdredacteur van een grote krant zei. Maar daar hebben ook andere journalisten last van: „De uitdaging is om je punt te maken zonder dat de lezer in slaap valt na de derde regel van je artikel”, zegt een Duitse collega. Kortom: de gaapfactor, waar iedere krant rekening mee moet houden.

Gevolg is „dat er minder Europees nieuws in de krant te vinden is, terwijl het afgedrukte nieuws minder diepgaand is”. Ook de „hoofdredactionele commentatoren zijn sterk nationaal gericht en schenken weinig aandacht aan Europese onderwerpen”. Zelf zoeken de door de onderzoekers ondervraagde ‘eurojournalisten’ de oorzaak vooral bij „het elitaire karakter van het Europese integratieproces”. Zo krijgen de Fortuyns en Wilders’en vanzelf meer publiciteit dan de stille werkers in Brussel.

Tegenover dit „gemis en falen van eurojournalisten” stellen de onderzoekers de „goede journalistiek over Nederland zelf, over de Verenigde Staten en over arme landen”. Tja, Obama is boeiender en ‘sexier’ dan Barroso of Angela Merkel. Vandaar dat er in Nederland meer belangstelling voor (en ook wel kennis over) Amerika bestaat dan Duitsland weet te wekken, terwijl ons lot toch meer afhangt van wat er gebeurt in ons grootste buurland, dat tevens Europa’s belangrijkste land is.

Deze misschatting van de werkelijke krachten die invloed uitoefenen op de toekomst van Nederland, is kenmerkend voor wat De Beus en Mak, zij het in ander verband, de „armoede van het debat” noemen – hoewel ik liever spreek van de irrelevantie van het debat. Zo maakt Nederland zijn invloed kleiner dan onvermijdelijk is.

Dat maakt voor gezagsdragers de dagelijkse opgaaf nog zwaarder „om zodanig vorm te geven aan een kleine oude lidstaat van Europa dat ze een internationaal isolement verhinderen en tevens een massale opstandigheid in de eigen bevolking tegenhouden”. Massale onverschilligheid maakt die opgaaf al moeilijk genoeg.

U kunt de auteur mailen op dezerdagen@nrc.nl of reageren via nrc.nl/heldring