De Spaanse griepwas een sluipmoordenaar

De Mexicaanse griep is de best gedocumenteerde griep ooit en lijkt vooralsnog mild.

De Spaanse griep in 1918 was een groot mysterie en liet 50 miljoen doden achter.

Onder de kop ‘De onbekende ziekte’ staat in de Nieuwe Rotterdamse Courant van dinsdag 28 mei 1918 een merkwaardig berichtje. De koning van Spanje, de minister-president en andere ministers zijn ziek. Trams rijden niet meer en theaters sluiten wegens ziekte van het personeel. Eenderde van de bevolking is ‘aangetast’. Maar: „De ziekte wordt niet als ernstig beschouwd.”

De ‘onbekende ziekte’ is de Spaanse griep: influenza A, subtype H1N1 – hetzelfde subtype als de Mexicaanse griep van nu. Het virus eist volgens een recente schatting in twee jaar wereldwijd vijftig miljoen levens. Ter vergelijking: dat zijn ruim drie keer zoveel doden als in heel de Eerste Wereldoorlog en twee keer zoveel als het aantal aidsdoden sinds 1980. In Nederland sterven tussen 1918 en 1920 in totaal zo’n 50.000 geïnfecteerden.

Net als de Mexicaanse griep treft de Spaanse griep een onverwachte groep: jonge, weerbare mensen. Ook komt de Spaanse griep net als de Mexicaanse griep op een onverwacht tijdstip: in het voorjaar, buiten het griepseizoen.

Het grote verschil is dat Spaanse griep veel dodelijker is dan de Mexicaanse griep nu lijkt te zijn. De Mexicaanse griep is ook de best gedocumenteerde griep in de geschiedenis. De ziekte is in 1918 een mysterie. Het virus komt en verdwijnt even snel als een sluipmoordenaar, zo beschrijft historicus Eric Mecking in zijn boek Het drama van 1918 (2006).

De kranten van toen besteden nauwelijks aandacht aan de opmars van de Spaanse griep. De oorlog en schaarste eisen ook in het neutrale Nederland alle aandacht op. Na 11 november staan de kranten vol van de wapenstilstand in Compiègne én de socialist Troelstra die in Den Haag de revolutie uitroept. Al het nieuws overschaduwt de Spaanse griep die in die piekmaand in Nederland 10.645 doden veroorzaakt.

In oorlogvoerende landen wordt de pers gecensureerd. Het Duitse Rijk verbiedt kranten in juli 1918 al het aantal griepdoden te publiceren om het moreel van leger en bevolking niet te ondermijnen. In het neutrale Spanje publiceert de pers wel vrijelijk over de epidemie. Daarom gaat de ‘onbekende ziekte’ al snel de Spaanse griep heten.

Mecking: „Een virus wordt vernoemd naar het land waar het vandaan komt. Of waar mensen dénken dat het vandaan komt. De Duitsers hadden het eerst over de ‘Vlaamse griep’.” Achteraf is de term ‘Amerikaanse griep’ misschien passender. Zoals John M. Barry beschrijft in The Great Influenza (2004) was het virus waarschijnlijk afkomstig van Amerikaanse militairen uit Kansas die naar Frankrijk werden verscheept.

De slachtoffers van deze griep sterven een vaak gruwelijke dood. Een deel overlijdt na een paar dagen aan longontsteking. Bij anderen lopen de longen direct vol met een schuimig mengsel van speeksel en bloed. Ze krijgen niet genoeg zuurstof, hun gezicht wordt blauw, hun voeten bijna zwart. Patiënten die ’s ochtends nog gezond ogen, zijn ’s avonds morsdood. Verdronken, in bed.

Doodskisten worden door de grote vraag ongelakt afgeleverd. Lijkstoeten versnellen hun pas omdat de volgende begrafenis wacht. Mensen mijden elkaar zorgvuldig om niet besmet te worden.

Kenmerkend is het verhaal van de 12-jarige Geerling Klos uit Enschede. In de rij voor melkbonnen wordt hij niet lekker en zijgt ineen. Tientallen mensen springen weg en roepen: „Hij heeft de griep.”

Veel ouders verliezen één of meer kinderen. Schrijnend is het relaas van Geertje Pieters uit Hollandscheveld bij Hoogeveen. In 1903 heeft ze al haar echtgenoot verloren en in 1908 haar oudste zoon. Daar blijft het niet bij. Op 20 november 1918 verliest ze haar twee zoons Jan (32) en Lucas (24). Een dag later overlijdt haar dochter Jantje (28), weer een dag later haar zoon Geert (22). Vier kinderen in drie dagen.

Artsen staan machteloos en denken aan de influenzabacil van Pfeiffer. Op straat gaan spookverhalen over giftige lijkdampen uit de loopgraven aan het front. Het confessionele kabinet-Beerenbrouck heeft ook geen antwoorden. Het broodrantsoen wordt verhoogd en 28 november 1918 uitgeroepen tot ‘Algemeene Biddag’. Mecking: „Niet zo slim, om al die biddende mensen bij elkaar te brengen.”

Kwakzalvers ruiken een markt en bieden allerlei middeltjes aan. De Rotterdamse firma L.I. Akker beweert dat haar abdijsiroop de Spaanse griep weert. „De griep is een windvlaag des doods”, zo adverteert de firma. „Napoleon verloor den slag bij Waterloo, doordat hij even te laat was. Weest gij op tijd.”

De Vereeniging tegen de Kwakzalverij plaatst een tegenbericht in de Haagsche Post: „Abdijsiroop komt niet uit een klooster. Het is dik suikerwater met kaneel.”

In Amsterdam worden de scholen na veel discussie níet gesloten. Vijf van de zes schoolartsen zijn tegen, maar dr. H.G. Ringeling, directeur van de lokale Gezondheidsdienst, is standvastig. Een professor van de gemeentelijke universiteit vraagt of de Gezondheidsdienst dan wel onderzoek doet naar „den verwekker der ziekte”. Nog niet, antwoordt Ringeling, want de bacterioloog van de dienst is zelf ziek.

En dan stopt de horror. In december 1918 lijkt de tweede, dodelijke golf van het najaar ten einde. Bij een derde, milde golf in 1920 vallen relatief weinig doden.

Met het verdwijnen van de Spaanse griep wordt het lastig om een medicijn te vinden. De smetstof hoopt zich op in het kwetsbare longweefsel dat snel vergaat als de dood intreedt. Het onderzoek gaat voort om een herhaling van het drama te voorkomen. Het duurt tot 1937 voor de Britse arts Wilson Smith het eerste vaccin ontwikkelt.

De Mexicaanse griep van nu mag als een ‘gewone griep’ gelden voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), toch maakt Mecking zich zorgen. „Het RIVM vergelijkt de Mexicaanse griep met een seizoensgriep. Ja, hállo. Een seizoensgriep krijg je niet bij 25 graden Celsius. Ik vrees dat de tweede golf in het najaar, als het kouder wordt en het virus gedijt, een stuk agressiever zal zijn.”

Zo veel doden als in 1918 verwacht hij niet, wel veel mensen die flink ziek zullen worden. En serieuze problemen voor overheid en bedrijfsleven, want het is vooral de leeftijdscategorie van werkende mensen die wordt getroffen. „Bij het RIVM zeggen ze wel: eventjes uitzieken en hup, weer op de benen. Maar als je écht de griep hebt, ben je doodziek. Ikzelf had het dit voorjaar. Ik sport veel, heb een goede conditie. Nou, ik was twee weken helemaal gesloopt.”

Massale ziekte zal in deze tijd van recessie de ‘doodsklap’ voor de economie worden, denkt Mecking. In 2005 was hij een van de ‘onheilsprofeten’ van de financiële crisis in zijn boek Deflatie in aantocht. „Ik ben geen econoom, maar ik zag wel de kredietcrisis aankomen. Ik ben ook geen viroloog, maar weet wel wat griep kan aanrichten. Ik ben een historicus en er ís veel van de geschiedenis te leren. Maar mensen leren alleen van hun eigen ervaringen in hun eigen tijd.”