De eerste stap naar vrede zet niemand

Gisteren was de Egyptische president Mubarak op bezoek in de VS. Weer ging het over Arabische vredesconcessies.

Maar de Arabieren wachten tot Israël de eerste stap zet.

Drie maanden nadat president Obama de bevriezing van alle bouw in Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied had geëist, om het vredesproces in het Midden-Oosten een schokimpuls te geven, heeft zijn – destijds opzienbarende – initiatief nog niets opgeleverd. De Israëlische regering wil de bouw misschien remmen. Maar zeker niet helemaal en dan voor korte tijd. En de Palestijnse zijde weigert onderhandelingen te hervatten tot alle bouwkranen stilstaan. Er wonen nu 500.000 Israëlische kolonisten in bezet gebied inclusief Oost-Jeruzalem. Hun met 5 procent per jaar toenemende aanwezigheid maakt de kans op een levensvatbare Palestijnse staat navenant kleiner.

Inmiddels heeft Washington, aangemoedigd door Israël en 77 van de 100 Amerikaanse senatoren, de Arabische landen benaderd: als zij nu concrete gebaren maken naar Israël, is Jeruzalem er mogelijk eerder toe geneigd met werkelijke concessies te komen. Maar de Arabieren willen niet zolang Israël niets doet. Zo blijft het vredesproces voorlopig waar het al jaren zit: in het moeras.

Dit was dinsdag hoofdonderwerp van gesprek tussen Obama en de Egyptische president Hosni Mubarak, die voor het eerst in vijf jaar weer naar Washington was gekomen. Met toenmalig president Bush, die een tijdlang autoritaire Arabische regimes zoals het Egyptische onder druk zette om te liberaliseren, boterde het niet. Maar Obama, die in mei Kairo als plaats koos voor zijn grote toespraak tot de islamitische wereld – en in zijn rede nauwelijks melding maakte van mensenrechten – krijgt van Mubarak een nieuwe kans. Dinsdag juichte hij nog eens over die „prachtige, fantastische” speech die „alle twijfel wegnam over de VS en de islamitische wereld”.

Egypte heeft al dertig jaar diplomatieke betrekkingen met Israël, dus zelf hoeft het geen gebaren te maken. Maar als een van de leidende Arabische landen zou het andere staten ertoe kunnen bewegen vertrouwenwekkende maatregelen te nemen, is de Amerikaanse gedachte. Obama’s vredesgezant, George Mitchell, spelde vorige maand in Kairo uit wat Washington verwacht. Arabische landen zouden Israël een vertegenwoordiging in ambassades van andere landen moeten toestaan, Israëlische toeristen toelaten en culturele uitwisselingen organiseren. De Golfstaten zouden Israëlische vliegtuigen overvliegrechten moeten geven.

De opvatting van veel Arabische landen werd eind juli opvallend duidelijk verwoord door de Saoedische minister van Buitenlandse Zaken, prins Saud al-Faisal, tijdens een bezoek aan Washington. Op een persconferentie zei zijn ambtgenoot Hillary Clinton dat „we de Arabische staten, met inbegrip van onze vrienden in Saoedi-Arabië, hebben gevraagd om met ons samen te werken en stappen te nemen om de relaties met Israël te verbeteren”. In zijn antwoord verwees prins Saud naar het collectieve Arabische aanbod van 2002 om de relaties met Israël te normaliseren in ruil voor ontruiming van alle bezette Arabische gebieden en een rechtvaardige regeling voor de Palestijnse vluchtelingen.

„De vraag is niet wat de Arabische wereld zal aanbieden”, zei hij. „De werkelijke vraag is: wat zal Israël geven in ruil voor dit alomvattende aanbod?” Israël, zei hij, probeert de aandacht af te leiden van de kernzaak, beëindiging van de bezetting en oprichting van een Palestijnse staat, „naar bijkomstigheden als luchtvaartzaken”.

Niet toevallig werd gisteren, kort voor de ontmoeting van Obama en Mubarak, bekend dat Israël de aanbestedingen voor overheidsprojecten in nederzettingen heeft bevroren en die bevriezing tot begin volgend jaar zal handhaven. Minister van Huisvesting Ariel Atias sprak van „een poging om overeenstemming met de Amerikaanse regering te bereiken en een alomvattend vredesakkoord”. Maar de Israëlische organisatie Vrede Nu wees er meteen op dat overheidsprojecten hooguit 40 procent van de Israëlische bouw in bezet gebied uitmaken. Volgens Vrede Nu gaat het in de nederzettingen vooral om particuliere projecten, onder andere met Amerikaanse privégeld. De bevriezing geldt ook niet voor de duizend wooneenheden die in aanbouw zijn.

Verder meldde The Marker, een economische bijlage van de krant Haa-retz, gisteren dat de autoriteiten biedingen voor de bouw van 450 wooneenheden in bezet Oost-Jeruzalem die zij eerder als onvoldoende beoordeelden, alsnog hebben geaccepteerd. De bouw zou in zes maanden kunnen beginnen.

Obama noemde de opschorting van aanbestedingen gisteren „een stap in de goede richting”. In een verwijzing naar de parallelle Arabische, inclusief Palestijnse, acties die de VS wensen, zei hij: „Als alle partijen bereid zijn met de vastgeroeste gewoonten te breken die we op dit moment hebben, denk ik dat er een buitengewone kans is op werkelijke vooruitgang”.

Maar Palestijnse woordvoerders reageerden afwijzend. „Israël laat maar proefballonnen op en we zijn gewend aan dit soort bedrog”, zei onderhandelaar Erekat. Ook Mubarak was niet onder de indruk. „Als onderhandelingen beginnen, zal dit de Arabische landen ertoe brengen het vredesproces te steunen en het verder te brengen”.

Hoe nu verder? Volgens een woordvoerder van Mubarak zei Obama gisteren dat Washington in september een vredesplan hoopt te presenteren. Maar het Witte Huis liet later weten „niet op de hoogte te zijn van een precies plan”. In de tussentijd gaat Mitchell volgende week in Londen weer proberen de Israëlische premier Netanyahu een stapje verder te brengen.