Zondag in Roskilde

Gingen we naar Roskilde of naar zee? Het was bloedheet, zelfs in Denemarken, en ik voelde wel voor de zee, maar mijn vrouw werd onweerstaanbaar aangetrokken door de kathedraal van Roskilde. Die moest zeldzaam mooi zijn en stond dan ook op de Werelderfgoedlijst. Ik wil ook wel naar kathedralen, maar het liefst als het buiig is, zodat je er meteen kunt schuilen.

Uiteindelijk ging ik overstag. De zee kon later die week ook nog wel, bovendien kan een vakantie alleen maar slagen als de sfeer in het team goed blijft (de spits moet ook wat verdedigend werk willen opknappen, om het in voetbaltermen te zeggen).

Roskilde is een stadje ten westen van Kopenhagen, ongeveer drie kwartier met de stoptrein door onaantrekkelijk industriegebied.

In de Middeleeuwen was het een van de grootste steden van Noord-Europa, maar toen wij er die zondag uitstapten, viel in het centrum weinig leven te bespeuren. Ze zullen wel allemaal naar zee zijn, dacht ik stiekem.

De kathedraal was inderdaad prachtig, maar had tegelijk iets beklemmends. Er bleken liefst 38 Deense vorsten begraven en ze lagen er niet bepaald gezellig bij. Overal zag je in nissen en kille kelders hun kisten staan, en omdat er vrij jonge doden bij waren – Christian X en zijn vrouw zijn omstreeks 1950 gestorven – kwam de dood hier wel akelig dichtbij.

Bij Margrethe I heeft men haar beeltenis zelfs óp haar sarcofaag gelegd, zodat het net lijkt of ze het binnen te benauwd heeft gekregen is en er in paniek bovenop is gekropen.

Ik geloof niet dat ik zo begraven zou willen worden; dan toch maar liever de wide open spaces na het crematorium, waar je als asdeeltje misschien mag neerdalen op de schouder van een aardige vrouw.

„Vond je het niet mooi?’’ vroeg mijn vrouw na afloop.

„Ja’’, zei ik, „maar ik moest te veel aan prins Claus denken die er nu in Delft ook zo bij moet liggen.’’

We daalden door een park af naar de haven van Roskilde, dat aan een lieflijk soort fjord ligt. Daar bleek, eindelijk, Roskilde toch nog een min of meer kloppend hart te bezitten.

Het zonnige terras bij het enige restaurant, Snekken genaamd, was zelfs zó vol dat we binnen moesten lunchen. Door het glas mochten we jaloers kijken naar een man van een jaar of zeventig die in z’n eentje een hele tafel bezet hield. Hij maakte een nerveuze indruk, steeds verschoof hij op zijn stoel en keek om zich heen.

Na een kwartiertje boog zich uit het niets een jonge, sierlijke, zwarte vrouw over hem heen. Ze deed me enigszins aan Ayaan Hirsi Ali denken. De man stond blij op en omhelsde haar uitbundig.

„Zijn pleegdochter’’, schatte ik.

„Er lijkt me meer aan de hand’’, zei mijn vrouw.

De man praatte alsof zijn leven ervan afhing. Het leek of hij het grote leeftijdsverschil wilde overbruggen met een bruisende demonstratie van energie. Af en toe legde hij snel zijn hand op de hare.

Hij liet een fles wijn komen. De vrouw trok haar stoel bij om samen beter foto’s te kunnen bekijken. Ze maakte op zijn verzoek ook foto’s van hem met zijn toestel, maar toch gaf ze zich niet helemaal gewonnen.

Ze liet hem een beetje bengelen boven de afgrond van zijn verliefdheid. Misschien zag ze hem al min of meer liggen in zo’n kist als in de kathedraal.