Wie leeft die lijdt, maar heeft dat zin?

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: hoe definiëren wij onszelf?

Aflevering 8 (de laatste): de mens als lijdend voorwerp.

Twee grote betraande ogen staren je aan. Daarboven de tekst: „Wereldwijd hebben ik en 40 miljoen andere vluchtelingen uw hulp hard nodig.” Wie de bladzijde omslaat, ziet hetzelfde bruine kindergezicht: „En met het omslaan van de pagina is het probleem niet verdwenen.” Er is trouwens nog zo’n jongetje in dezelfde serie. Hij heeft een bollere toet en kijkt je met een open mondje en al even grote vragende ogen aan. Net een dood te knuppelen zeehondje .

Zelden heb ik zulke zielige jongetjes gezien als die in de recente reclamecampagne van Stichting Vluchteling. Die natte ogen! Dat open mondje! Het zijn eigentijdse Afrikaanse versies van de beroemde huilende zigeunerjongen van de schilder Giovanni Bragolin. Hebben ze speciaal geposeerd of zijn ze uit een massa gelicht? Komen ze uit de Van Eeghenstraat of uit hongerlijdend Afrika? Ik las ergens dat bladen als Ouders van Nu en J/M baby’s fotoshoppen: ze maken de ogen net iets groter, het gezicht iets ronder. Zouden deze jongetjes ook zijn geshopt? Een onbehoorlijke vraag, misschien. Want dit is Lijden met een hoofdletter L.

Je zou zelfs kunnen stellen dat lijden bepaalde groepen een gemeenschappelijke identiteit verschaft. Wij (het rijke Westen) erkennen bepaalde groepen of (arme, niet-westerse) landen voor zover ze lijden (Afrika). Hun lijden geeft hun bestaansrecht. Zij lijden, dus ze zijn. Als ze niet lijden, bestaan ze voor ons niet.

We zien zelden hoe gelukkig Afrikanen zijn. Noem maar eens een paar willekeurig films over Afrika. Hotel Rwanda. Blood Diamond. The Constant Garderner. Cry Freedom. Ze gaan over geweld, honger, genocide.

De mate waarin mensen lijden is dus bepalend voor de identiteit die wij aan anderen toekennen. Maar voor onszelf gaat soms hetzelfde op. Psychologen, hulpverleners en artsen weten dat als geen ander: hun beroep bestaat bij de gratie van mensen die zichzelf definiëren in termen van leed. Lijden is ook een grote drijfveer van de politiek. De Partij voor de Dieren, de PVV, de SP: allemaal voeren ze het lijden van bepaalde groepen (respectievelijk van dieren, van onze westerse cultuur en van de armen) op als dat wat hun bestaansrecht geeft. De (politieke) identiteit van dieren, van Nederland en van de onderklasse bestaat bij de gratie van dit lijden.

Hoe wij omgaan met lijden wordt dan ook vaak als een graadmeter van beschaving gezien. Stichting Vluchteling doet een moreel appèl op medelijden. Ook de Partij voor de Dieren maakt medelijden tot de kern van hun partijfilosofie. Een dier lijdt, net als u en ik. Ze hebben dus bestaansrecht. De reclamecampagnes van de Partij voor de Dieren lijken vaak een beetje op die van Stichting Vluchteling: zielige hondenogen staren je aan en smeken om hulp. We worden er moreel toe aangespoord het lijden, dat onmenselijk is, te stoppen. Volgens de pragmatist Richard Rorty (1931-2007) is dat ook de bedoeling van politiek bedrijven: mensen gevoelig maken voor andermans lijden.

Waarom is lijden zo centraal voor onze zelfdefinitie? Misschien omdat de mens er zo mee worstelt. We zijn, maar waarom moeten we lijden? Alle monotheïstische religies geven daar een antwoord op: lijden is bijvoorbeeld een les in nederigheid of een straf van God (gereformeerden, jodendom) of een proef om te kijken hoe standvastig de mens is (christendom, islam).

Hét icoon van het westerse lijden komt uit de christelijke traditie: Jezus. Hij biedt gelovigen steun in de wetenschap dat ze in de dood verlossing van het lijden vinden. Toch zien religies zich ook voor een probleem gesteld. Als er een God is, waarom is er dan zo véél leed? Welke ‘straf’ was de Holocaust in vredesnaam?

Anders dan het christendom, dat de verlossing van het lijden buiten het leven plaatst, zoeken de pragmatische filosofen tijdens het leven naar verlossing. Jeremy Bentham (1748-1832) bijvoorbeeld stelde in zijn utilitaristische filosofie voor om te streven naar een zo groot mogelijk geluk voor een zo groot mogelijk aantal mensen. Geluk betekende voor Bentham dus het vermeerderen van genot en het reduceren van pijn. Niemand wil immers pijn en dus dient die zo veel mogelijk beperkt te worden.

De Partij voor de Dieren beroept zich op de ideeën van Bentham, en neemt het lijden als centraal uitgangspunt van het ‘zijn’: dieren hebben dan wel geen zelfbewustzijn, maar ze kunnen wel pijn lijden en dat is voor Bentham voldoende om ze dezelfde rechten als mensen te willen geven.

Medelijden is ook volgens Arthur Schopenhauer (1788-1860) datgene wat ons uiteindelijk tot moreel handelen kan aanzetten en ons van de wil – het egoïsme – kan afhouden. Maar anders dan de pragmatisten voorziet deze pessimistische filosoof geen verlossing van het lijden tijdens het leven. En hij kent er ook geen hoger doel aan toe, zoals gelovigen. Lijden hoort bij het leven en het is volstrekt zinloos. Ik ben, dus ik lijd.

Schopenhauer, die het leven ‘een keten van ontgoochelingen’ noemde, blonk uit in het denken over de onzin van het lijden. Wie leeft, krijgt hoe dan ook met ellende te maken. Dat komt door het wezen van de mens. De ‘wil’ drijft de mens voort en niemand kan eraan ontsnappen, want buiten de wil bestaat niets. En willen betekent: een permanente staat van onbevredigd zijn. Leven is willen en willen is lijden.

Geluk is dus slechts de vervulling van wensen, maar geen positieve toestand, omdat we meteen weer iets anders begeren. En als we een ogenblik niets willen, dan vervelen we ons en verlangen we weer naar nieuwe verlangens. Dat is de negatieve filosofie van Schopenhauer: ik ben niet gelukkig, dus ik ben. De bevrijding van het lijden ligt slechts in het Niets, zoals boeddhisten proberen te bereiken.

Maar wanneer die status is bereikt, ligt altijd nieuw leed alweer op de loer. De wil ontkennen biedt geen oplossing: het lijdt tot een ascetisch leven, maar Schopenhauer beschouwt de geslachtsdrift als de sterkste vorm van willen, die bezit van ons neemt en nodig is voor het voortbestaan van de mens als soort. De esthetische uitweg is er ook nog en biedt meer soelaas: je toevlucht zoeken in de kunsten, de muziek met name, die Schopenhauer als de ‘onmiddellijke projectie van de wil zelf’ beschouwt. In de muziek komt het diepste wezen van de mens, de wil, tot uiting.

Lijden is dus, wie het cynisch begrijpt, de enige manier om ons door het leven te slaan en te ervaren dat we ‘zijn’. We consumeren lijdensverhalen om dat te begrijpen en ons ermee te verzoenen. In veel bestsellers gaat er iemand dood aan een vreselijke ziekte en moet hij of zij daarom afscheid nemen van een geliefde: denk aan Love Story (1970) van Erich Segal of aan Kluuns Komt een vrouw bij de dokter. Oprah en Dr. Phil bieden ons ook een dagelijkse porties lijdensverhalen en hanteren daarbij een veelgehoorde seculiere variant voor zingeving: lijden maakt je sterker als mens.

Lijden geeft daarmee ook status. Hoe meer lijden je kan verdragen, hoe sterker je bent. Alle gelovigen willen een keertje Jezus zijn: ze huren een kruis en slepen het over de Via Dolorosa in Jeruzalem. Het openlijk etaleren van leed kan echter ook een vorm van cultuurkritiek zijn: de Britse kunstenares Alice Newstead liet zich onlangs nog ophangen in het raam van een zeepwinkel in Parijs. Haar schouderbladen waren doorboord met haken die gebruikt worden bij de haaienvisserij en haar benen waren bijeengebonden als een haaienvin. Zo wilde ze namens een milieuorganisatie de aandacht vestigen op de haaienjacht. „Ze is een inspiratiebron voor ons allemaal”, sprak de directeur van de organisatie.

Heeft lijden dan toch een beetje zin? Er wordt vaak beweerd dat popsterren de goden van deze tijd zijn en dat zij nu meer navolgelingen hebben dan Jezus. De meeste popsterren koketteren met die gedachte en laten zich met een lichtgevend aureool afbeelden (Michael Jackson), veranderen hun naam in een symbool (Prince) en krijgen rustplaatsen die uitgroeien tot bedevaartsoorden waar de Via Dolorosa een puntje aan kan zuigen (Elvis) of een muur waarop fans iets kunnen krabbelen waar de Klaagmuur niets bij is (Michael Jackson).

Madonna liet zich tijdens een van haar shows aan een groot kruis naar beneden zakken voor een club uitzinnige fans („Neem mij, eet mij, want dit is mijn lichaam”).

Een leuk leven hebben de popsterren vrijwel nooit. Hun leven is lijden, maar het levert prachtige muziek op.

Zo zijn het de popsterren die de waarlijk negativistische filosofie van Schopenhauer in deze tijd levend houden.