We komen niet in opstand

Zijn de risico’s van de Mexicaanse griep overdreven of kan de overheid het in deze gevallen nooit goed doen?

De reactie van het publiek blijkt lastig te voorspellen.

Wie wordt wel gevaccineerd tegen de Mexicaanse griep en wie niet?

Die beslissing nemen zou moeilijk worden, dat was al duidelijk toen minister Klink (Volksgezondheid, CDA) vlak voor de zomer vaccin bestelde tegen het H1N1-virus. Nu de knoop is doorgehakt, lijkt het probleem echter te verschuiven.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gaat er nog altijd vanuit gaat dat 30 procent van de Nederlandse bevolking de komende twaalf maanden de Mexicaanse griep zal krijgen. Maar de medische gevolgen van de griep zijn veel minder ernstig dan in eerste instantie werd gevreesd. Daarom wordt de Mexicaanse griep nu behandeld als een gewone wintergriep. Vooralsnog worden alleen gezondheidswerkers en mensen met een verhoogd risico op complicaties gevaccineerd.

De eerder gevreesde opstand van mensen die niet in aanmerking komen voor vaccinatie, waarop huisartsen zich al aan het voorbereiden waren, zal waarschijnlijk uitblijven. De overheid moet nu vooral uitleggen waarom de gevaren van de Mexicaanse griep minder groot zijn eerder werd gevreesd.

Zijn de risico’s niet overdreven?

Het is het klassieke dilemma waarin de overheid zich bevindt als zekerheid over gezondheid en ziekte niet te bieden is, legt Frans Meijman uit. Hij is arts en hoogleraar medische publiekscommunicatie aan het VU medisch centrum in Amsterdam. „Het is moeilijk om verantwoording af te leggen als er sprake is van onzekere risico’s, zoals bij de Mexicaanse griep”, aldus Meijman.

Het lijkt een situatie waarin de overheid het niet goed kán doen. Als een overheid zich voorbereidt op het ergste en het valt mee, dan wordt al snel gesproken van overdrijving en paniekzaaierij. Het alternatief, niks doen en afwachten tot duidelijk is hoe ernstig het wordt, is nog erger.

Toch is Meijman het niet eens met het idee dat de overheid het in geval van grote onderzekerheid niet goed kan doen. „Gezondheid en ziekte zijn steeds vaker een zaak van risicoafweging, niet van absolute oplossingen”, stelt hij. „En risico’s zijn geen zekerheden. Toch willen we zinnige maatregelen nemen, zeker als het besmettelijke ziektes betreft die ons allen aangaan, zoals influenza.”

Meijman vindt dat de overheid in dit soort onzekere situaties de bevolking in een vroeg stadium bij de discussie moet betrekken. Met bijvoorbeeld televisiedebatten zoals Het Lagerhuis van de VARA, of met andere vormen van publiekdebatten. „Nu zie je dat politici beslissingen nemen op basis van adviezen van deskundigen. Omdat dat over het hoofd van de bevolking heengaat, bestaat er twijfel over de gemaakte keuzes. En dat ondergraaft het draagvlak dat in dit soort gevallen nodig is.”

Nu een folder sturen over de Mexicaanse griep, zoals de Nederlandse overheid doet, heeft volgens Meijman geen zin. „Als het eenmaal begint rond te zingen dat mensen ten onrechte niet kunnen worden ingeënt, is het al te laat. Dat geldt ook voor het geval er grote onrust ontstaat over de risico’s van een vaccinatie.”

Het verhaal van Meijman wordt ondersteund door twee reacties op grootschalige vaccinatiecampagnes die de afgelopen jaren door de overheid werden opgezet.

In 2002 startte de overheid een grootschalige vaccinatiecampagne tegen meningokokken C, een bacterie die hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging kan veroorzaken.

Die vaccinatiecampagne kwam volgens veel ouders te laat. In 2001 verdubbelde het aantal meningokokkenbesmettingen. Dat leidde to zoveel onrust dat veel ouders zelf naar de apotheek stapten om vaccin te kopen en de huisarts vroegen om de prik te zetten. Volgens Meijman, toen nog huisarts, werd de vaccinatie door de ouders min of meer afgedwongen.

Precieze cijfers over het aantal slachtoffers van de meningokokkenbacterie zijn niet bekend maar volgens schattingen zijn er in 2001 dertig kinderen aan de gevolgen van besmetting overleden. Nog eens dertig kinderen verloren een arm of een been of hebben ernstige neurologische schade aan de besmetting overgehouden.

Hoe anders was de reactie op de beslissing om een vaccinatiecampagne te starten tegen een virus dat bij vrouwen baarmoederhalskanker kan veroorzaken. Begin dit jaar besloot minister Klink dat dit vaccin moet worden opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma.

De eerste campagne, die zich richtte op meisjes van 13 tot 16 jaar, ontmoette onverwacht grote scepsis en weerstand. Door twijfel aan de effectiviteit van bepaalde deskundigen en een effectieve campagne van de Vereniging Kritisch Prikken, lieten meer meisjes zich níet dan wel vaccineren. Opmerkelijk. Volgens viroloog Ab Osterhaus kunnen met deze vaccinatie op langere termijn duizenden levens worden gered.

Het is een merkwaardige paradox. In het ene geval leidt acute ziekte van kinderen tot een min of meer afgedwongen vaccinatie tegen meningokokken. In het andere geval ontstaat juist weerstand tegen een vaccinatieprogramma vanwege de vermeende risico’s die ermee gepaard gaan. Kennelijk weegt het publiek de voor -en nadelen van een vaccinatie zelf tegen elkaar af. En zo kan het volgens Meijman ook gaan bij de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep.

Die twee voorbeelden maken volgens Meijman duidelijk hoe moeilijk het is om in te schatten hoe mensen reageren op maatregelen die de volksgezondheid. Voor hem is dat reden te meer om het publiek te betrekken. „Onderzoek heeft aangetoond dat het publiek betrekken bij beslissingen over de gezondheidszorg voor meer draagvlak zorgt.”