Tussen woede en opluchting

Terwijl de file naar het Europese Zuiden het gebruikelijke zomerrecord naderde, bracht in New York de openbare aanklager van de stad een fantastisch nummer op de planken van woede en verontwaardiging. Het rapport van Andrew Cuomo – gedateerd 30 juli – had de pakkende titel No Rhyme or Reason, wat zoiets betekent als ‘het slaat nergens op’. De openbare aanklager had alle bonussen in de bankwereld van vorig jaar doorgelicht en was tot de verbluffende slotsom gekomen dat er enorme sommen geld waren uitbetaald aan bankiers, terwijl de belastingbetaler op hetzelfde moment grootscheeps moest bijspringen om het zaakje een beetje overeind te houden.

Een openbare aanklager van New York is van oudsher de Amerikaanse volkstribuun bij uitstek en de woordkeuze is er dan meestal ook naar. Andrew Cuomo formuleerde zijn conclusies aldus: „Als de banken het goed deden, werden hun medewerkers goed betaald. Als de banken het slecht deden, werden hun medewerkers goed betaald. En als de banken het zeer slecht deden, werden ze door belastingbetalers gered en werden hun medewerkers nog altijd goed betaald.” Woede was er vooral over Goldman Sachs, waar vorig jaar – toch inderdaad niet het fraaiste jaar uit de bancaire geschiedenis – tussen de elf- en veertienhonderd medewerkers een miljoen dollar of meer aan bonussen kregen uitbetaald.

Maar woede blijft niet – in de publieke opinie raast die op zeker moment uit. Een deel van het publiek schakelt over op desinteresse of apathie, geeft misschien een restant wrok of rancune nog ergens een plekje en gaat over tot de orde van de dag. En tot die orde van de dag hoort ook het verheugende nieuws dat Goldman Sachs dit jaar tot nu toe een mooie winst heeft gemaakt. Bijna drieënhalf miljard dollar in het laatste kwartaal. Opluchting? Licht aan het eind van de tunnel?

Tussen woede en opluchting hangt ondertussen een onoverzichtelijker wordend aantal losse eindjes. Zo verdiende Goldman Sachs het geld de afgelopen maanden voornamelijk omdat medewerkers sneller wisten te handelen met aandelen, futures en opties dan de concurrentie. Ze hebben uitstekende vaklui in dienst. Maar misschien hebben ze alleen maar verdiend wat concurrenten zijn misgelopen. En hebben ze, met andere woorden, alleen maar succesrijk aan herverdeling van middelen gedaan en verder niets van waarde toegevoegd aan de maatschappij? Meer manipulatie dus dan innovatie. Wie beoordeelt dat? De zoveelste toezichthouder, de markt, de staat, sociale controle, de moraal, het ongetemde beest genaamd publieke opinie?

En los van het antwoord blijft dan nog de vraag hangen hoe een herhaling van de dollemansrit kan worden voorkomen. In het Amerikaanse Congres is hierover een hevige strijd aan de gang en de uitkomst zal ongetwijfeld naar Europa overwaaien. Er zijn grosso modo twee hoofdstromen. De ene gelooft dat banken zelf de dingen beter moeten regelen. Commissarissen moeten goed opletten en zorgen dat bonussen er niet zijn voor perverse prikkels. Aandeelhouders moeten daarover ook meer te zeggen krijgen. En toezichthouders moeten over hun schouder wederom meekijken. Het is in zekere zin de bankiersoplossing voor het bankenprobleem. De andere stroming wil gewoon veel meer staatsbemoeienis.

Dat is voor een belangrijk deel een keihard gevecht achter de schermen, om macht, invloed en geld. Financiële instellingen zijn belangrijke geldschieters voor politieke campagnes.

Maar het is ook een intellectuele exercitie. De zelfregelaars gaan ervan uit dat een aandeelhoudersvergadering zoiets is als een parlement, waar aandeelhouders zich gedragen als burgers. (Zo’n vooronderstelling zat ook een beetje in de vaderlandse Tabaksblat-varianten). Dat is echter een misvatting. Aandeelhouders internaliseren het algemeen belang niet, dat is hun rol niet en daar zijn ook andere instanties voor. Aandeelhouders hebben geen moeite met excessieve prikkels voor bestuurders als die het aandeel omhoog jagen en er winst genomen kan worden. Nu natuurlijk nog even niet, want de herinnering aan de schrik is nog vers. Maar die ebt snel weg, want de financiële sector staat bekend om zijn notoir optimisme, zijn beperkte geheugen en een algemene desinteresse voor geschiedenis. Omdat de belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor de rekening, is het logisch dat een overheid meekijkt naar de aard van de financiële prikkels. En daar ligt dan ook meteen weer het risico voor het bankbedrijf, want voordat je het weet wordt bedrijfsvoering speelbal van politieke stemmingen en humeuren. ‘Catch 22’ kortom, want banken zijn niet goed in die dingen, aandeelhouders ook niet en democratieën eigenlijk ook niet.

Het is jammer dat de Europese Unie niet in staat is een gezaghebbend alternatief te ontwikkelen. De Europese Commissie geeft geen leiding en de belangrijkste lidstaten zijn verdeeld. Londen wil bankiers ruim baan geven om financieel centrum te blijven en Wall Street af te troeven, andere lidstaten voeren de discussie alsof elke lidstaat dit wel op eigen houtje kan regelen. Angela Merkel: „Wij laten niet meer gebeuren dat Wall Street en Londense City voorschrijven hoe je geld verdient en dat anderen aan het eind van de rit de rekening betalen.” Maar niemand in Europa is kennelijk in staat aan zulke woorden enig gezag van gezamenlijkheid toe te voegen.

Het gevolg is dat het wachten nu is op de uitkomst van de strijd in Amerika. Dat is een ondoorzichtig spel met eigen regels, eigen belangen en veel uitruil achter de schermen. Zichtbaar blijft alleen dat ondertussen derivatenartiesten weer op het podium klimmen. Als de muziek eenmaal speelt, beginnen mensen weer te dansen. Totdat? Ja, totdat wat?

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen