Speel niet op de persoon in de rechtszaal

De ruzie tussen het OM en sommige advocaten heeft alles te maken met mannetjesmakerij binnen de rechterlijke macht. Het moet snel weer om de inhoud gaan, meent G.J. Kemper.

‘Een aanzet tot karaktermoord” noemde mr. H. N. Brouwer, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, opmerkingen van advocaten over officier van justitie Plooy. „Een bijna jihadistische visie op zijn werk”, had één advocaat hem toegedicht volgens een artikel in De Pers, en hij zou, volgens een andere, „bij wijze van spreken zijn moeder nog verkopen voor zijn carrière”.

Brouwer vraagt in zijn brief aan mr. W.M.J. Bekkers, de algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, om zich publiekelijk uit te spreken over de onwenselijkheid van dit soort uitspraken. Het is nuttig om eerst eens op een rij te zetten waar ze eigenlijk vandaan komen.

Het begint met iets van mannetjesmakerij. De rechterlijke macht is jarenlang tevreden geweest met de rol van geblinddoekte Vrouwe Justitia. Die blinddoek was een wat ongelukkig symbool, omdat daarmee onpartijdigheid moet worden verbeeld en niet een gebrek aan belangstelling voor de feiten. In de loop van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw is dat onpersoonlijke verdwenen.

Rechtbankverslaggever Jacques van Veen ging in Het Parool recensies schrijven van zittingen waarbij hij melding maakte van (on)hebbelijkheden van met name genoemde rechters. De persoonlijke achtergronden van de president van de Almelose rechtbank kwamen over het voetlicht toen hij in een vonnis lucht gaf aan zijn gedachten over stakingen in de vervoersbranche. In sommige rechtbanken werd geëxperimenteerd met naambordjes, rechters lieten zich interviewen, alles vanuit de verfrissende gedachte dat het recht een menselijk en toegankelijk gezicht moest krijgen.

Huub Willems oordeelde dezer dagen, volgens NRC Handelsblad, negatief over activiteiten van de raad van commissarissen van een beursgenoteerde chipsmaker. Uit de berichtgeving werd niet duidelijk dat de Ondernemingskamer bestaat uit vijf rechters. Huub Willems is met voornaam en al voor hen in de plaats gekomen.

Even begrijpelijk was het groeiende idee dat over de onpartijdigheid van een rechter niet de geringste twijfel mocht bestaan. Dat werd aangepakt door een bijbanenregister te publiceren zodat wij nu weten dat rechters in hun vrije tijd heel wat meer aandacht dan de gemiddelde Nederlander besteden aan christelijk jeugdwerk.

Dat streven naar verpersoonlijking van de togadrager liep gelijk op met een meer algemene tendens om de mens achter de functionaris (popzanger, captain of industry, lid van hooggeplaatste familie) te laten zien. De entertainmentbladen kwamen op, de televisie doet meer aan het wel en wee van de Bekende Nederlander, en de advocatuur is daarin een graantje gaan meepikken. Als een verdachte wordt aangehouden, wordt standaard de er zojuist bijgeroepen piketadvocaat om zijn mening gevraagd, maar advocaten hebben ook een min of meer vaste plaats gekregen in de vermaakindustrie zonder dat er duidelijke raakvlakken zijn met de eigenlijke beroepsuitoefening.

Aldus bezien hoeft het geen verbazing te wekken dat het debat over een concrete strafzaak, in de rechtszaal maar ook daarbuiten, zich op personen lijkt te gaan toespitsen. Het recht is al ingewikkeld genoeg en een discussie over de vraag of het toelaatbaar is dat in een strafzaak telefoongesprekken tussen advocaten en hun cliënten zijn opgenomen, lijkt aan helderheid te winnen wanneer de ene kant daar een persoonlijke machinatie van een officier van justitie in vermoedt, en de andere kant zich niet aan de gedachte kan onttrekken dat een advocaat de grenzen van de dienstverlening aan het oprekken is.

Neemt aldus de heftigheid toe, er is nog een andere zorgelijke ontwikkeling die het vuur doet oplaaien. Advocaat en voormalig hoogleraar strafrecht Ties Prakken schreef erover in Trouw van afgelopen vrijdag: het inwinnen van informatie door justitie, zeker bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, begint steeds meer op het werk van inlichtingendiensten te lijken.

De daarmee gepaard gaande geheimzinnigheid over de herkomst van informatie en de omvang van de ingezette opsporingsmethodes leidt op zichzelf al tot een verscherping van het debat. Het lijkt mij niet juist, maar wel begrijpelijk, dat advocaten in complottheorieën gaan denken en persoonlijke machinaties gaan vermoeden. Dat wordt gemakkelijker gemaakt nu de persoonlijkheden aan de andere kant zich ook meer zijn gaan profileren, en dat scherpere debat past in een stroming waarin politici elkaar openlijk voor gek verklaren.

Is dit zorgelijk? Ik denk van wel. Dat op de persoon toegespitste debat doet het recht geen goed. De verdachte, andere betrokkenen, zoals in het bijzonder de slachtoffers en het publiek dat over het verloop van een proces wordt geïnformeerd, zij allen moeten kunnen leven met de gedachte dat er zonder aanzien des persoons is geoordeeld. Het accepteren van een vonnis, zeker als dat een schokkende veroordeling of een even schokkende vrijspraak inhoudt, wordt een stuk lastiger wanneer het idee bestaat dat persoonlijke inzichten en drijfveren van een rechter of een officier van justitie meespelen. Even zo goed zit er iets onverteerbaars in dat iemand wordt vrijgesproken omdat juist hij die razend slimme X als advocaat had. Hij blijft dan een boef of, erger nog, tal van onschuldigen zitten vast doordat hun advocaat het niet goed heeft gedaan.

Het recht is erbij gebaat wanneer wij ons wat minder op de poppetjes concentreren.

Mr. G.J. Kemper is deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten. De tekst is een bewerking van een toespraak, gehouden bij de beëdiging van 22 Amsterdamse advocaten op 11 augustus 2009.