Reddingsbrigade wil stoer zijn, niet suf

Wie af gaat op de berichten van de Reddingsbrigade zou denken dat zwemmen gevaarlijker is dan vroeger. Maar wat is een redding?

Ze hadden te veel „het imago van de dierenambulance”. Dat moest anders. Dus bedacht communicatiedeskundige Luc Dietz, bestuurslid van de Reddingsbrigade, dat er oranje auto’s moesten komen, met officiële hulpverlenings-striping en blauwe zwaailichten. Eén huisstijl voor alle brigades, één logo, één naam. En één fatsoenlijk pr-beleid. En voilà: „Ineens zag het er sexy uit”, zegt hij.

Sindsdien is de Reddingsbrigade voortdurend in het nieuws. Met vermeende recordaantallen geredde drenkelingen, verdwaalde kinderen en gezalfde wonden. Voor wie op de berichten afgaat, lijkt strandbezoek opeens een levensbedreigende activiteit.

Is dat zo? Neem het nieuws dat de Haagse Vrijwillige Reddingsbrigade afgelopen zaterdag 104 mensen uit het water haalde. „Dat was adrenaline”, zegt strandwacht Joery van den Berg (19, sportopleiding). Op de rand van een knalgele rigid inflatable-boot stuiteren we langs de Scheveningse kust. Vandaag is het rustig: een verdwaald kind, een ‘onwelwording’ bij een strandtent, een uitgeputte bejaarde die niet tegen de stroom opkon.

Maar zaterdag heeft Van den Berg er wel twintig uit het water gevist. Er stond een enorme stroming. ’s Avonds was hij „echt moe” van alle actie. Toen kwam er om kwart voor acht nog een melding binnen: man en vrouw, afgedreven, konden niet zwemmen. Ze maaiden met hun armen. Van den Berg dook er weer in, vertelt hij, „en toen zwom ik met twéé volwassenen in mijn armen”.

Steeds meer badgasten weten niet hoe ze moeten zwemmen, lijkt het. „Dit weekend haalden we er wel twintig Polen uit die geen idee hadden”, zegt Robbert Salome (30, werkt bij de politie) vanachter het stuur van de boot. „Niet kunnen zwemmen, en dan met twee biertjes op.” 

Maar de cijfers zijn er niet naar. De teller voor hulp aan zwemmers van de Reddingsbrigade – niet te verwarren met de KNRM die met grote reddingsboten op open water opereert – stond zondag nog maar op eenderde vergeleken met de hele zomer vorig jaar: 995 keer tegen 3.116 keer. Het aantal verdronken mensen, meldt CBS, schommelt sowieso al jaren iets boven de zeventig.

Wel heeft de Reddingsbrigade dit jaar nu al 900 keer vaker EHBO verleend, in totaal 4.661 keer. Surfers en kitesurfers kregen 72 keer vaker hulp dan vorig jaar, 180 keer vaker werd een verdwaald kind of verstandelijk gehandicapte teruggebracht. En de Reddingsbrigade duidde zelf dubbel zo vaak een actie aan als een echte ‘redding’: nu al 401 keer.

Maar wat de Reddingsbrigade vooral meer doet, is registreren en publiceren. Sinds vorig jaar worden de acties van alle afzonderlijke brigades genoteerd en bij elkaar geveegd. Sinds deze zomer stuurt de Reddingsbrigade elke maandagmiddag een persbericht met de hulpverleningscijfers van de week rond. Dat werkt, zegt directeur Raymond van Mourik. „Straks hangen al uw collega’s weer aan de lijn.”

Van Mourik wil vooral laten zien wat de Reddingsbrigade doet. „Mensen vinden ons werk vanzelfsprekend.” Hij vindt dat niet. De 180 reddingsbrigades in Nederland zijn grotendeels afhankelijk van sponsors, donateurs en zo’n vijfduizend vrijwilligers, zegt hij. Vrijwilligers moeten vrijwel allemaal zelf hun opleiding en kleding betalen. „Ze betalen contributie om te mógen redden”. En sommige brigades gaan, zo zegt oud-bestuurslid Dietz „bij de bakker en de slager langs om een boot betaald te krijgen.”

Het zou anders moeten, vindt Van Mourik. Hij wil meer geld, onder andere om te zorgen dat de vrijwilligers het werk leuk blijven vinden en om flitsende wervingsspotjes te kunnen maken. Daarom „maken we eerst bekend wát we doen en gaan we dan laten zien voor hoe weinig we dat doen.”

Zo delen de brigades aanstaande zaterdag 25.000 SOS-polsbandjes aan kinderen uit, tegen zoekraken. Met persconferentie toe. Volgend jaar worden campagnes en symposia georganiseerd om geld en vrijwilligers te trekken. Want het aantal mensen dat een zware opleiding wil doen en ’s zomers wekenlang onbetaald op het strand wil werken, loopt terug.

Strandwacht Randy Beij (17) vindt een zomer juist veel te kort. „Dan zit je in Frankrijk op vakantie en dan hoor je van reddingen hier. Dan baal je.” Dat doet hij ook niet meer, op vakantie in de zomer. Hij zit hoog in de uitkijkpost en houdt met een verrekijker de Haagse kustlijn in de gaten.

Op z’n dertiende begon hij bij de brigade met zwemles. Inmiddels weet hij hoe een defibrillator werkt, hoe je EHBO verleent, hoe je iemand uit het water haalt. Hij is ‘bijrijder’ in de auto en ‘opstapper’ in de boot. Varen met „golven van vier meter en een prio één melding” vindt hij gaaf. Hij heeft deze zomer al tussen de driehonderd en vierhonderd uur gedraaid. Veel van de 110 strandwachten van de Haagse brigade, met een gemiddelde leeftijd van begin twintig, zijn z’n vrienden.

Zijn werk maakt uit, vindt Randy. Hij weet nog hoe hij een zevenjarig jongetje redde. Eerst dacht hij dat het jongetje zwaaide toen hij met de boot langsvoer. Maar hij twijfelde. „Terug!”, zei hij, „keer de boot.” Het kind lag al op de bodem. Toen Randy hem „als een baby” bovenhaalde, wilde het jongetje niet meer loslaten. De ouders bleken op een terras op de boulevard te zitten.

„Deze club doet ertoe”, zegt Dietz. „Als je de getallen bij elkaar optelt, doet het er nog meer toe.”