Ramadan aan de kant

‘Weer ben ik in Nederland onder vuur komen te liggen”, schreef Tariq Ramadan gisteren in deze krant. Hij duidde daarmee onbedoeld de kern van het probleem aan. Iemand die voortdurend zelf het middelpunt is van controverse, en die met zoveel wantrouwen wordt bejegend, kan niet de functie vervullen waarvoor hij is aangetrokken: een brug slaan tussen bevolkingsgroepen in Rotterdam. Zo verwoordde toenmalig wethouder Kaya (GroenLinks) het althans toen hij eind 2006 bekendmaakte dat de islamitische filosoof Ramadan in opdracht van de gemeente een maatschappelijk debat ging leiden over identiteit en burgerschap.

Onder die omstandigheden zijn begrijpelijke vragen of alle kritiek op vermeende uitlatingen van Ramadan terecht is, of dat hij door zijn medewerking aan de Iraanse staatszender PressTV een verwerpelijk regiem steunt, minder relevant.

Een bijkomend probleem is dat het college van B en W niet overtuigend in staat is gebleken helder over het voetlicht te krijgen wat de resultaten van Ramadans inzet tot nu toe zijn geweest. Veelzeggend was een PvdA-motie die de gemeenteraad in april aannam, ruim twee jaar nadat hij aan de slag was gegaan, waarin de wens werd uitgesproken om zijn taakopdracht scherper te formuleren.

In dezelfde periode stapte de VVD uit het college van B en W uit protest tegen enkele uitspraken van Ramadan over vrouwen en homoseksualiteit en liet burgemeester Aboutaleb zich ontvallen dat Rotterdam niet nog eens voor een contract als dat met Ramadan zou kiezen. Dat was een veeg teken. Het was inderdaad van meet af aan de vraag of Ramadan alle bevolkingsgroepen zou kunnen aanspreken. Het echte vraagstuk doet zich voor in achterstandswijken en heeft niet slechts met de islam te maken, maar met de bredere sociale problematiek van een gemêleerde, grotendeels laagopgeleide stadsbevolking.

De reacties van de raadsfracties op het ontslag zijn instemmend – en ook dat is veelbetekenend. Het wegsturen van Ramadan betekent voor politiek Rotterdam, aan de vooravond van gemeenteraadsverkiezingen, één probleem minder. De indruk dat zijn presentatorschap bij een Iraanse tv-zender ook een stok is om de hond mee te slaan, is moeilijk te vermijden. Het is dan ook niet gezegd dat dit ontslagbesluit op een fatsoenlijke manier is genomen.

Dat laatste geldt zeker voor de Erasmus Universiteit (EUR), waar Ramadan gasthoogleraar is op een door de gemeente gefinancierde leerstoel. Toen het college van bestuur in april het contract met Ramadan tot 1 februari 2011 verlengde, verklaarde het dat de EUR zichzelf beschouwt als „vrijplaats voor wetenschappers, waar onderzoek en debat worden gestimuleerd. [...] De universiteit bemoeit zich niet met de persoonlijke uitspraken van wetenschappers, tenzij deze in strijd zijn met de Nederlandse wetgeving of onafhankelijk en goed onderzoek en onderwijs in de weg staan.” Dat wordt dus nog een lastig verhaal voor de universiteit bij de rechter, tot wie Ramadan zich nu wil wenden.