Ongelooflijk bedankt

Aan het eind van Zomergasten, afgelopen zondag, zei Margriet van der Linden tegen Carice van Houten: „Ik ga je ongelooflijk bedanken.”

Een vaker gebruikte, maar daarom niet minder rare zin. Ten eerste dat ongelooflijk. Een echt modewoord, je hoort het overal. Het lijkt alsof iedereen voortdurend rondloopt in een staat van shock.

„Wat on-ge-lo-fe-lijk mooi is dat concert, echt niet te geloven.”

Of: „Die man is zo ongelooflijk toegewijd! Hij staat elke ochtend om vier uur op, en zonder geklaag!”

Omdat ‘ongelooflijk’ zo veel gebruikt wordt, is er natuurlijk ook sprake van betekenisinflatie. Je kunt tegenwoordig makkelijk met een neutraal gezicht en zonder enig enthousiasme zeggen: „Dat boek is ongelooflijk interessant.”

‘Ongelooflijk’ is dus vaak niet ongelooflijk, maar meestal wordt het nog wel gebruikt op een manier die zou kúnnen kloppen. ‘Ongelooflijk mooi’ is iets, ‘ongelooflijk hoog’ ook. Maar ongelooflijk bedanken? Wat is ongelooflijk bedanken? Is dat aan iemands voeten gaan liggen kronkelen, hard huilen en ondertussen snikken: „Ik ben het niet waard! Dat je dit voor mij gedaan hebt! Sla me!”

Ik weet het ook niet, maar dat is het ’m nou juist met ongelooflijke dingen: die zijn moeilijk voorstelbaar.

Het tweede rare aan ‘ik ga je ongelooflijk bedanken’ is het element ‘ik ga je bedanken’. Je verwacht dat er daarna hartelijk wordt uitgeroepen: „Dus bedankt!”

Maar dat gebeurt niet.

Je hoort het wel vaker, dat mensen aankondigen wat ze gaan doen, maar dat het bij die aankondiging blijft. Die is blijkbaar al genoeg.

Als je bij het verlaten van een feestje geen zin hebt om iedereen individueel te groeten, kun je aankondigen: „Nou, ik doe even een zwaai…” Die zwaai zelf kun je dan heel klein houden, je kunt hem beperken tot een flapje van de hand. Of hem zelfs helemaal achterwege laten.

„Ik ga je ongelooflijk bedanken.” De droge aankondiging-zonder-vervolg strookte niet met het geëxalteerde ‘ongelooflijk’.

Daarom bleef deze zin nog dagen in mijn hoofd spoken.

Paulien Cornelisse