Macht der Mona Lisa

Het gebeurde drie weken terug en pas twee weken later werd er, met dank aan de komkommertijd, publiek over bericht: in het Musée du Louvre in Parijs had een vrouw een kopje gegooid naar La Gioconda (1503-1506), het schilderij van Leonardo da Vinci dat beter bekend is als ‘de Mona Lisa’. Het kopje beschadigde de plaat gewapend glas waarmee de Mona Lisa sinds 2005 wordt beschermd. Het kopje brak. Het schilderij bleef ongedeerd. De vrouw werd gearresteerd en onderworpen aan psychologisch onderzoek.

Over haar beweegredenen verschillen de berichten. De vrouw, een Russin, zou tot haar aanval gebracht zijn omdat haar de Franse nationaliteit geweigerd zou zijn. In dat geval symboliseert het schilderij de macht van de Franse Staat die, met een mysterieuze glimlach, een vreemdeling weigert toe te laten. Maar er is ook gesuggereerd dat ze zou lijden aan het syndroom van Stendhal. Dan zou haar gedrag een reactie zijn op het overweldigende effect van het schilderij.

Het is niet de eerste keer dat iemand de Mona Lisa belaagt. In 1911 werd het schilderij gestolen. Niet uit nijd, zoals aanvankelijk werd aangenomen, door de dichter Guillaume Apollinaire en evenmin door de schilder Pablo Picasso. De schuldige was toen een Italiaanse arbeider. In 1956 is de Mona Lisa met zuur besproeid. In datzelfde jaar kneusde een Boliviaan het paneel door er een steen naar te gooien. In 1930 had Marcel Duchamp al een snor op het portret getekend – weliswaar op een reproductie, maar het deed aan de intentie niets af: de Mona Lisa moest onschadelijk worden gemaakt.

Mona Lisa maakt iets los. Het hangt samen met haar faam. Wie haar kwetst, verzekert zich van wereldwijde aandacht. Maar het houdt ook verband met haar wezen. Ze is een onaanraakbaar goed schilderij. En goeie kunst wekt emotie, misschien doordat het zo autonoom is.

De voorbeelden liggen voor het oprapen. Verschillende versies van Barnett Newmans Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue, dus niet alleen die in het Amsterdamse Stedelijk Museum, werden het slachtoffer van vandalisme. Een man stompte een werk van Claude Monet. Een vrouw besmeurde een schilderij van Cy Twombly met lipstick, toen ze het kuste.

Vreemd? Misschien niet. Autoritaire regimes werken altijd hard aan het knevelen van de kunst en het verbannen van kunstenaars. Te vrijgevochten dichters en schrijvers leggen ze het zwijgen op. Filmers krijgen te maken met selectieve censuur. Muziek moet ‘normaal’ doen. En schilders dienen af te zien van abstracte vormen.

Deze machthebbers nemen kunst serieus, ze zetten kunstenaars in voor propaganda. Maar veel kunst is juist duister en dus subversief. Kunstvandalen vinden dat ook. Ze worden diep geraakt, begrijpen niet waardoor en ze reageren met heftig verzet.

Agressie komt uit dezelfde bron als bewondering. Kunstvandalisme, ook een slecht gemikt kopje, wijst erop dat het moeilijk ontkomen is aan goede kunst.