De uitzichten van twaalf psychiaters

De gisteren uitgezonden vierde aflevering van de documentairereeks Kijken in de ziel (RVU) fascineerde me dusdanig dat ik de voorgaande drie ook meteen heb bekeken op Uitzendinggemist. Zelfs wie geen affiniteit zou hebben met het onderwerp kan moeilijk ontkennen dat het voorbeeldige televisie vormt.

Dat komt ook doordat de door Coen Verbraak geïnterviewde hoofdpersonen, twaalf toonaangevende Nederlandse psychiaters en psychotherapeuten, stuk voor stuk betrokken en welbespraakt over hun vak praten. De individuele gesprekken zijn thematisch door elkaar gemonteerd, tot een mozaïek van elkaar vaak tegensprekende opvattingen over de stand van zaken in hun beroep.

Gisteren was de kernvraag en de titel van de aflevering Pillen of praten? De meeste psychiaters verdedigen het standpunt dat het een het ander niet hoeft uit te sluiten, afhankelijk van de situatie. Maar Verbraak verzamelde wel vertegenwoordigers van nagenoeg alle nuances in het brede scala van de geestelijke gezondheidszorg. Aan het ene uiteinde staat de biologische psychiater René Kahn, die zichzelf nadrukkelijk definieert als dokter van patiënten met een ziekte in het brein, niet meer dan anderhalf kilo eiwitten. Medicatie is doorgaans de enige remedie. Daarentegen ziet de klassieke psychoanalyticus Louis Tas luisteren als de essentie van zijn vak.

Kahns opvatting maakt Jules Tielens, psychiater van dak- en thuislozen, een beetje nijdig. Als iemand uit het gezelschap met ernstige psychosen te maken krijgt, dan is hij het wel. Toch wil hij ook met hen praten en stelt een paranoïde patiënt die denkt dat er een chip in zijn hoofd zit, soms gerust door samen een hersenscan te laten maken.

Alle sprekers, steevast in beeld gebracht voor een raam met groen uitzicht, zoeken de nuance en zetten zich af tegen wat herhaaldelijk de Libelle-psychologie wordt genoemd. Het therapeutisch jargon is immers zo dominant geworden in het dagelijks spraakgebruik, juist ook in de media, dat de misverstanden zich opstapelen. Psychiaters kijken niet dwars door je heen en het zijn ook maar mensen.

Verbraak lukt het zelfs om sommigen van hen te laten praten over hun eigen neurosen en trauma’s: zelfs Kahn, die slecht tegen half openstaande deuren kan en vaak zijn handen wast.

In de zomermaanden is het dus wel mogelijk om op televisie intelligente mensen lang aan het woord te laten over hun vak, over wetenschap en samenleving, over menselijke eigenaardigheden. Samenstelling en montage zijn onberispelijk; Verbraak, een prettig soort interviewer, ontlokt de ene na de andere gedenkwaardige uitspraak aan zijn topforum.