Speuren naar de doden

Militairen drukken hun neus tegen de grond om te ruiken of er nog lijken onder de modder liggen in Sinkai. Het bergdorpje in Zuid-Taiwan werd getroffen door een modderstroom na de hevige regenval door de tyfoon Morakot op 8 augustus. Volgens de Taiwanese president Ma Ying-jeou zijn meer dan 500 mensen omgekomen bij de modderlawines. 50.000 militairen werden de afgelopen week naar het gebied gestuurd om inwoners in veiligheid te brengen en lijken te bergen.

Ruiken onder de grond is erg lastig in een door modder bedolven gebied, volgens Harry Jongen, bijgenaamd ‘De Neus’. De Nederlandse oud-militair heeft een reputatie verworven met het opsporen van lijken met zijn reukvermogen.

Jongen: „In een moddergebied kun je niet zien waar gegraven is of waar mensen liggen. Je moet heel veel geluk hebben, wil je toevallig iets ruiken. De menselijke neus kan ook niet zo diep ruiken. Honden zijn daar beter in getraind. Zij ruiken een lijk tot op 60 centimeter diepte.”

Jongen werkt met een dunne, scherpe prikstok van anderhalve meter lang. Als hij vermoedt dat ergens een lijk ligt, bijvoorbeeld doordat de grond is omgewoeld, prikt hij met zijn stok in de bodem. Als hij het lijk ‘aanprikt’ kan hij aan de stok de geur herkennen.

‘De Neus’ werkte 36 jaar bij de Bergings- en Identificatiedienst van de landmacht. Jongen is onder meer ingezet bij de zaak Dutroux en heeft geholpen bij het zoeken naar graven in voormalig Joegoslavië. Tegenwoordig heeft hij in Almere zijn eigen grafruimingsbedrijf.

Lees een ouder interview met ‘De Neus’ uit 1996. Meer informatie op www.grafruiming.nl