Programmaministers

Met de instelling van twee speciale programmaministeries, respectievelijk voor Jeugd en Gezin en voor Wonen, Wijken en Integratie, gaf het kabinet-Balkenende IV bij zijn aantreden in 2007 te kennen waar zijn prioriteiten lagen. Hoewel de economische crisis de aandacht noodzakelijkerwijs naar meer klassieke problemen als werkloosheid en overheidsfinanciën heeft verschoven, blijft het de moeite waard na te gaan of deze ingreep in de organisatie van de rijksoverheid tot beter bestuur leidt.

Uit een artikel over het ministerie van Jeugd en Gezin in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag kan de conclusie worden getrokken dat programmaministeries voor herhaling vatbaar zijn. Er wordt beter gecoördineerd en efficiënter overlegd. Belangrijker zijn natuurlijk de resultaten die daadwerkelijk worden geboekt, maar zeker in het geval van de aanpak van de oude stadswijken, waar ‘Wonen, Wijken en Integratie’ vooral voor staat, zal één kabinetsperiode niet genoeg zijn om daarover conclusies te trekken.

Verkokering bij de rijksoverheid is bijna zo oud als de rijksoverheid zelf. Maar na de vele rapporten die in de afgelopen veertig jaar aan dit probleem zijn gewijd, wint het inzicht dat bij noodzakelijke ambtelijke specialisatie een zekere verkokering onvermijdelijk is.

Dat is nog geen reden om de vraag naar het aantal ministeries en hun bestaansrecht buiten de orde te stellen. Hoe gevoelig ze in de Haagse cultuur ook zijn. Is naast het ministerie van Economische Zaken een apart departement van Landbouw echt noodzakelijk, ook nadat dit, als ware het ter zelfrechtvaardiging, ‘Voedselkwaliteit’ aan zijn benaming toevoegde?

In wezen gaat het in Den Haag om de verkeerde mentaliteit dat een ambtenaar op, bijvoorbeeld, Verkeer en Waterstaat in de veronderstelling verkeert dat hij het belang van zijn departement moet behartigen. Hij is er evenwel ter voorbereiding of ter uitvoering van rijksbeleid en is dus niet op aarde om, pakweg, zijn collega’s bij het ministerie dat over Milieu gaat, dwars te zitten. Zoiets zou ook over Justitie en Binnenlandse Zaken kunnen worden opgemerkt.

Programmaministeries kunnen dergelijke, in wezen ridicule, stammenstrijden beslechten. Zulke ministeries zijn een uiting van het algemeen belang zoals dat door een politieke meerderheid is geformuleerd – en ten dienste van dat algemeen belang zijn er rijksambtenaren. De Raad voor het openbaar bestuur adviseerde onlangs het programmaministerschap voort te zetten. Het lijkt verstandig dit advies op te volgen, zolang programmaministers er niet louter komen om een kabinetsformatie te vergemakkelijken, maar omdat er een maatschappelijke noodzaak voor bestaat.

Het verdient onderzoek of de programmaministeries over genoeg spankracht beschikken om zich te kunnen waarmaken. Zijn mankracht, financiën en bevoegdheden overeenkomstig de politieke prioriteitstelling toegewezen? Als dat zo is, dan kan een programmaministerie succesvol zijn, en kan dat bewijzen door uiteindelijk overbodig te worden.