Meer vragen over bonuscultuur

Schijnbaar buitensporige winsten geven aanleiding tot nader onderzoek. Dat geldt eveneens voor schijnbaar buitensporige beloningen. Politici moeten zich zorgen maken over de steeds maar groeiende bonussen bij banken, maar wetgeving om salarissen en bonussen te beperken gaat te ver.

Het achterliggende principe van bonussen – dat er een verband moet bestaan tussen prestatie en beloning – is in orde. Hoge financiële vergoedingen zijn zinvol als zij aanzetten tot het scheppen van welvaart. Toch zijn er redenen om bezorgd te zijn over de opleving van de bonuscultuur. Die roept vier ongemakkelijke vragen op.

Eén. Subsidiëren de belastingbetalers de beloningen niet feitelijk door te garanderen dat de werkgevers van de bonusontvangers hun activiteiten kunnen blijven voortzetten?

In ieder geval met terugwerkende kracht luidt het antwoord ja. Als deze banken failliet hadden mogen gaan, waren er geen bonussen meer geweest – alleen maar veel meer werkloze bankiers. Maar het is te laat om nu nog veel te doen aan dit deel van de inkomsten van bankiers, omdat een winstbelasting met terugwerkende kracht een vreselijk precedent zou scheppen.

Twee. Hoe kunnen de bonussen worden gestructureerd om het riskante gedrag te ontmoedigen waardoor belastingbetalers met de gebakken peren blijven zitten?

De beste manier om belastingbetalers te beschermen tegen de riskante handel in effecten voor eigen rekening is door banken te dwingen dit zeer kapitaalintensief te laten zijn. De toezichthouders proberen dat nu overal ter wereld te bewerkstelligen.

Drie. Duiden de hoge operationele winsten van banken – die de hoge uitkeringen mogelijk maken – op een tekortschietende concurrentie op de mondiale financiële markten? Dat zou nadelig zijn voor de afnemers van financiële diensten, zoals pensioenfondsen.

De banken kunnen aanvoeren dat hogere winsten op normale bedrijfsactiviteiten de neiging indammen om gekke risico’s te nemen. Maar als bankiers routinematig miljoenen overhouden aan zulke activiteiten, is er te weinig onderlinge concurrentie.

Vier. Zijn de bonussen zo hoog dat de aandeelhouders niet het hun toekomende deel van de operationele winst ontvangen?

De aandeelhouders mogen dan niet over het inzicht van de handelaren beschikken, zij stellen wel de financiële middelen ter beschikking die de handelswinsten mogelijk maken. Als handelaren (te) grote risico’s nemen met het geld van de aandeelhouders, moeten die aandeelhouders daar ook voor worden beloond. Als de handelaren feitelijk voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van geluk, moeten zij zelf minder worden beloond.

Goed gekapitaliseerde banken kunnen, na het uitkeren van het juiste dividend, nog steeds genoeg geld overhouden om bonussen uit te betalen. Als dat zo is, mag het geld vloeien. Maar niet voordat de toezichthouders en de aandeelhouders er zeker van zijn dat de banken aan deze harde voorwaarden voldoen.

Christopher Hughes