Ik heb het Iraanse bewind niet gesteund

Wie werkt voor een Iraanse tv-zender steunt daarmee niet het bewind van dat land. Nederland drijft ook handel met Iran,zegt Tariq Ramadan.

(Illustratie Ruben L. Oppenheimer) Oppenheimer, Ruben L.

Weer ben ik in Nederland onder vuur komen te liggen. In het voorjaar werd ik beschuldigd van ‘dubbelhartigheid’, ‘homofobie’ en het vernederen van vrouwen. Na onderzoek verklaarde de gemeente Rotterdam de beschuldigingen ongegrond.

Nu wordt beweerd dat ik banden met het Iraanse bewind heb: ik steun de onderdrukking die op de laatste verkiezingen volgde. Moet het verbazen dat deze nieuwste beschuldiging alleen in Nederland is opgedoken? Het lijkt wel of ik in het bijzonder en de islam in het algemeen worden gebruikt ten bate van bepaalde politieke agenda’s bij de komende verkiezingen in Nederland. PVV-leider Geert Wilders, die stemmen wint door de Koran met Hitlers Mein Kampf te vergelijken, werpt een lange schaduw. Ik word voorgesteld als zijnde de oorzaak van een uitbarsting van politieke hartstochten die verre van gezond is. Maar de huidige controverse zegt veel meer over de zorgwekkende toestand van de politiek in Nederland dan over mijn persoon.

De aanvallen op mij zijn uitzonderlijk heftig; ik zal er met de grootst mogelijke duidelijkheid op ingaan. Toen ik in april 2008 de afspraak maakte om een televisieprogramma te presenteren op Press TV, de Iraanse nieuwszender die 24 uur per dag wereldwijd in de lucht is, volgde deze beslissing na drie maanden zorgvuldige afweging en gesprekken met Iraanse vrienden en mediadeskundigen. In de loop der tijd heb ik de politieke ontwikkelingen en toenemende binnenlandse spanningen in Iran nauwlettend gevolgd. Ik behoorde tot de eerste islamitische denkers in het Westen die zich verzetten tegen de fatwa tegen Salman Rushdie.

De afgelopen 25 jaar heb ik vastgesteld dat Iran, in vergelijking met de Arabische landen, aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt inzake vrouwenrechten en democratische normen. Maar ik heb ook kritiek geleverd op het gebrek aan de vrijheid van meningsuiting, de verplichting voor vrouwen om een hoofddoek te dragen en de Holocaust-conferentie van 2006 (die de grenzen tussen kritiek op de Israëlische politiek en het antisemitisme gevaarlijk deed vervagen). Het spreekt vanzelf dat ik het neerschieten van betogers en de onderdrukking na de verkiezingen van juni heb veroordeeld.

Mijn standpunt is altijd dat opbouwende kritiek de discussie vooruithelpt. Ik heb mij grondig verdiept in de binnenlandse dynamiek van het Iraanse politieke systeem. Ik weiger mij te laten leiden door propaganda, of die nu komt van het Iraanse bewind of van Israël (dat voortdurend zijn onschuld beklemtoont en Iran als belangrijkste beletsel voor de vrede aanwijst), of van de Verenigde Staten of de Europese landen, die allemaal zo hun strategische belangen hebben. In Iran is de verhouding tussen godsdienst en politiek uiterst complex. De simplistische opvatting van twee tegenover elkaar gestelde kampen – de fundamentalistische conservatieven tegenover de democratische hervormingsgezinden – geeft blijk van een verregaande onwetendheid wat betreft de Iraanse realiteit. Bovendien kan een ontwikkeling naar democratische transparantie niet plaatsvinden onder druk van het Westen: het proces zal in het land zelf moeten plaatsvinden en langdurig en pijnlijk zijn.

Toen ik de afspraak maakte om een televisieprogramma over de islam en het hedendaagse leven te presenteren, heb ik de weg van het kritische debat gekozen. Ik accepteerde geen verplichtingen. Tot mijn gasten behoorden atheïsten, rabbijnen, priesters, vrouwen met en zonder hoofddoek: allemaal uitgenodigd om te praten over thema’s als vrijheid, de rede, interreligieuze dialoog, sunnieten versus de shi’itische islam, geweld, jihad, liefde, kunst – om er enkele te noemen.

Ik daag mijn critici uit om deze programma’s te bestuderen en er het geringste bewijs van steun aan het Iraanse bewind in te vinden. Uit mijn programma spreekt openheid voor de wereld; alle gasten worden met hetzelfde respect behandeld.

Terwijl Iran door een crisis wordt verscheurd, ben ik van plan alle benodigde tijd voor de juiste beslissing te nemen. Alle feiten moeten zorgvuldig worden afgewogen om te komen tot de optimale strategie ter ondersteuning van de lange mars in Iran naar transparantie en eerbied voor de mensenrechten. Heftige polemieken en oververhitte debatten zoals we die in het huidige Nederland zien, leiden nergens toe. Alvorens mijn gedragslijn te bepalen, wil ik mij eerst een afgerond beeld vormen.

Toen ik inging op het aanbod van Press TV in Londen (ik had alleen contact met de Britse producenten die de zender een concept voorlegden), deed ik dat op voorwaarde dat ik vrij zou zijn in mijn onderwerpkeuze en dat ik volledige redactionele vrijheid zou hebben binnen de kaders van een wekelijks programma over religie, filosofie en vraagstukken van onze tijd. Mijn werkwijze was erop gericht deze thema’s te verkennen zonder steun aan het Iraanse bewind te verlenen en zonder mijzelf geweld aan te doen. Dat was een keuze die veel Iraanse vrienden niet alleen begrepen, maar ook hebben aangemoedigd. Geld speelt geen rol. Een andere internationale nieuwszender heeft mij driemaal zoveel geboden als ik van Press TV ontvang, een aanbod dat ik op principiële gronden heb afgewezen.

Als ik mijn politieke en godsdienstige overtuigingen zou veranderen, zou ik een rijk man zijn, zoals iedereen die mijn loopbaan heeft gevolgd heel goed weet. Maar ik zoek niet de gunst van koningen en prinsen, van regimes en van de rijken. De prijs van mijn politieke stellingname is hoog. Ik heb nooit gemarchandeerd met mijn principes. Ik kan niet naar Egypte, Saoedi-Arabië, Tunesië, Libië en Syrië wegens mijn kritiek op deze ondemocratische regimes, die weigeren de meest elementaire mensenrechten te eerbiedigen. De Verenigde Staten hebben mijn visum ingetrokken wegens mijn uitdrukkelijke veroordeling van de oorlogen in Irak en Afghanistan en hun eenzijdige steun aan Israël. Uiteraard ben ik ook persona non grata in Israël. Twintig jaar geleden gaf een medewerker van de Chinese ambassade mij te verstaan dat de autoriteiten in Peking zich terdege bewust waren van mijn inzet voor de Tibetanen.

Ik heb altijd de volle verantwoordelijkheid voor mijn standpunten genomen en ik heb nooit steun verleend aan dictaturen of onrecht gedoogd in maatschappijen met een moslimmeerderheid – of waar dan ook. Wie mij ‘uit principe’ veroordeelt omdat ik een televisieprogramma op een Iraanse zender presenteer krijgt van mij als antwoord: wie werkt voor een televisiezender in een land, steunt daarmee nog niet het bewind van dat land.

Als het allemaal zo eenvoudig was, dan zouden mijn tegenstanders, die toonbeelden van politieke deugd, al lang geleden hebben verlangd dat de Nederlandse regering alle politieke en economische banden met Iran, Saoedi-Arabië, Egypte, Israël en China zou verbreken. Vreemd genoeg is hun stem nu niet te horen. Ook niet toen de gemeente Rotterdam mij publiekelijk vrijpleitte van de valse beschuldiging van ‘dubbelhartigheid’ of ‘homofobie’, of toen onlangs een Amerikaanse federale rechtbank het besluit van een lagere rechtbank vernietigde om mijn visum in te trekken. Vanwaar dit stilzwijgen? Vanwaar die beschuldigingen die alleen op mij van toepassing lijken?

Het antwoord is simpel: bij de keuze van een ‘zichtbare moslimintellectueel’ tot doelwit, is hun echte agenda de politiek van het moslimpesten en de angst. Als het gaat om stemmen winnen is alles geoorloofd, zelfs de meest oneerlijke en schunnige praktijken.

Ik hecht te sterk aan mijn principes om mij aan deze misleidende propagandacampagne te onderwerpen. Niet alleen uit persoonlijke eer, maar ook in naam van de menselijke waardigheid en het geloof in de toekomst.

Tariq Ramadan is een Zwitserse islamoloog en filosoof.