Groen staat gelijk aan West

Nog nooit zaten er zoveel groenen in het Europees Parlement. Uit het Westen.

Hoe dat kan? In Oost-Europa gaat welvaart nog steeds voor duurzaamheid.

Na een lang zomerreces druppelen in het Europees Parlement in Brussel volgende week de volksvertegenwoordigers met hun rolkoffertjes weer binnen, voor de eerste fractievergaderingen van het politieke seizoen.

Het – in juni gekozen – parlement is groener dan ooit, met 46 groene Europarlementariërs. Het Franse Europe Ecologie boekte een spectaculair resultaat en versloeg zelfs bijna de Socialisten. Groene partijen wonnen ook in Nederland, Duitsland en Wallonië en het Griekse Ecologoi-Prasinoi maakt zijn debuut in Europa.

Toch moet er bij de groenen iets knagen. Want wie de precieze samenstelling van de Groene fractie bekijkt, ziet dat deze in één opzicht wel heel onevenwichtig is: het is een bijna volledig West-Europese club.

De 55-koppige fractie van de Groenen/Europese Vrije Alliantie (EVA) telt slechts twee leden uit de nieuwe lidstaten: Tatjana Zdanoka uit Letland en Indrek Tarand uit Estland. Die twee zijn bovendien niet eens afkomstig uit de groene partijen van hun land. Zdanoka maakt deel uit van de EVA, een kleine alliantie van regionalistische partijen en minderheden, waar de groenen een fractie mee vormen. De Est Tarand voerde campagne als onafhankelijke kandidaat en sloot zich pas na de verkiezingen aan bij de Groenen/EVA-fractie.

Eén van de groene partijen die tevergeefs streed voor een zetel in het Europees Parlement, is het Poolse Zieloni 2004. „Voor ons is het een lange mars”, zegt partijleider Dariusz Szwed, die tevens lijsttrekker was. „Er is nog nooit iemand van ons verkozen, ook niet op nationaal of lokaal niveau.”

Waarom zijn groene partijen zo weinig succesvol in de postcommunistische EU-landen? Het thema ‘milieu’ is deze landen, historisch gezien, zeker niet onbekend. Al eind jaren tachtig ontstonden overal ten oosten van het IJzeren Gordijn ecologische actiegroepen, in reactie op de enorme industriële vervuiling in de regio. In Estland was de milieubeweging „sterk verbonden” met de totstandkoming van onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1991, vertelt Valdur Lahtvee, die nummer drie was op de lijst van Estse groenen. „De Sovjet-Unie wilde de zware industrie in het noordoosten van Estland uitbreiden, dat leidde tot hevig verzet.” In de vrije verkiezingen in 1990, vlak voor de onafhankelijkheid, kregen de Estse groenen acht van de 64 zetels.

„Dat was meteen wel het hoogtepunt van de groene beweging”, vertelt Lahtvee. Net als in andere voormalig communistische staten veroorzaakte de overgang naar het kapitalisme zoveel sociale pijn, dat economische groei alle andere thema’s naar de achtergrond drong. Tegelijk werd het milieuprobleem minder acuut door de vervanging van de meest vervuilende technologie. Nog steeds is welvaart voor kiezers belangrijker dan duurzaamheid, zegt Szwed. „Na decennia communistische schaarste willen mensen welvaart en consumptie. Voor ons is dat moeilijk. Wij benadrukken de kwaliteit van leven.”

Het communistische verleden speelt ‘groen’ in Oost-Europa ook op een andere manier parten. In West-Europa ontstonden de groene partijen deels uit de linkse culturele beweging van de jaren zestig en zeventig. Die vocht bijvoorbeeld ook voor emancipatie van vrouwen en homo’s. „De beweging van de jaren zestig en zeventig was hier verstoken van dat culturele aura dat zij in het Westen had”, zegt de Poolse socioloog Adam Ostolski. „Zaken als vrouwenrechten, de ecologische crisis en de maatschappelijke positie van homo’s werden hier nooit politiek gearticuleerd.”

Hoewel de voedingsbodem voor ecologische en vrijzinnige politiek in Centraal- en Oost-Europa om historische redenen kleiner is, zijn groene politici niet pessimistisch. Want als de welvaart stijgt, groeit ook de interesse voor het milieu en sociale thema’s. Vooral in Tsjechië en Estland – landen die na de val van de Muur snel zijn gegroeid – zijn de groenen op lokaal en nationaal niveau de laatste jaren opmerkelijk succesvol. Het Tsjechische Strana Zelenych behaalde bij de parlementsverkiezingen van 2006 meer dan zes procent; in Estland scoorden ze in 2007 meer dan 7 procent. In Praag traden de groenen zelfs toe tot een centrum-rechts kabinet.

Juist vanwege dat eerdere succes is de povere score van Strana Zelenych in juni – 2 procent – zo „teleurstellend”, zegt Liska. Hij wijt de nederlaag aan de impopulariteit van de Tsjechische regering, die onlangs viel. „Maar we hebben ook veel interne ruzies achter de rug, die ons niet in dank zijn afgenomen.” De Estse groenen kregen concurrentie van nieuwe, onafhankelijke politici, die ook met milieuthema’s campagne voerden.

In Polen zijn de groenen nog lang niet zo ver – voorzichtig hopen ze op hun allereerste zetels, bij lokale verkiezingen volgend jaar. Partijleider Szwed is optimistisch. „Ik zie het maatschappelijk klimaat veranderen. Vooral dertigers zeggen: we werken ons kapot, maar waarvoor eigenlijk? Is het niet ook belangrijk dat onze kinderen een toekomst hebben?”