Wilders en de basis

De Partij voor de Vrijheid (PVV) doet toch niet serieus mee aan de raadsverkiezingen op 3 maart volgend jaar. Ze legt haar prioriteit bij de Provinciale Statenverkiezingen van maart 2011 en de Tweede Kamerverkiezingen twee maanden later. Ze is uit op niets minder dan regeringsmacht. „Cordon sanitaire of niet, wij willen straks klaar zijn om te regeren en dan moet je ook in de Eerste Kamer zitten”, aldus Wilders in een vraaggesprek met persbureau ANP.

De reacties volgden prompt. „Slappe hap” (PvdA-leider Van Heemst uit Rotterdam) en „ongelooflijk zwaktebod” (fractievoorzitter Halsema van GroenLinks) klonk er. Maar na deze gespeelde verontwaardiging keerde de rust snel terug. In de woorden van de ChristenUnie: „Wij zijn niet op aarde om te reageren op de tobberijtjes van Geert Wilders.”

En zo is het. Nergens staat geschreven dat een politieke formatie zich op alle (vijf) bestuurslagen in Nederland moet bewegen. Uiteraard is het opmerkelijk dat de PVV afziet van lokale machtsvorming. Maar kennelijk noopten de sollicitatiegesprekken, die Wilders bijna elke zaterdag in het gebouw van de Tweede Kamer houdt, tot de conclusie dat zijn potentiële kader kwalitatief onder de maat en mogelijk onbetrouwbaar is. Tegenover het ANP uitte hij zijn angst voor „LPF-achtige toestanden”. Wilders krijgt zo een eerste rekening gepresenteerd voor het feit dat hij de PVV niet wil structureren als klassieke politieke partij maar wil opbouwen als een amorfe beweging rond één leider.

Wilders gokt er nu op dat hij de hooggespannen verwachtingen van zijn kiezers nog anderhalf jaar, tot 2011, kan vasthouden. De onvermijdelijke publiciteit tijdens de strafzaak tegen hem wegens groepsbelediging en haat zaaien moet hem daarbij een handje helpen. Wilders is vast van plan de beschuldigingen in de dagvaarding om te draaien tot een politieke aanklacht jegens de islam en de defaitistische elite die Nederland in zijn ogen naar de rand van de afgrond leidt.

Maar hoewel Wilders zelf moet weten waar en wanneer hij aan welke verkiezingen deelneemt, de beslissing om de PVV alleen in Den Haag en Almere te registreren wringt toch.

Wilders eist dat alle burgers van buiten totaal assimileren. Integratie is hem niet genoeg. Iedereen moet opgaan in die ene leidende cultuur die Nederland volgens hem kenmerkt. Maar een van allerdiepste kernwaarden van de Nederlandse politieke cultuur is nu juist: de betekenis die daarin wordt gehecht aan representatief en betrouwbaar lokaal bestuur. Het is geen toeval dat ook nieuwe politieke partijen, zoals de SP en LPF, zich allereerst op dit niveau organiseerden.

Nu Wilders zich willens en wetens onttrekt aan deze basis van de democratie, dringt de vraag zich op of dat louter is ingegeven door tegenslag bij de werving of ook door afwijkende opvattingen over het bestel. Is dat laatste het geval en streeft hij dus naar ingrijpende veranderingen, dan wordt het tijd dat de leider van de PVV zijn staatkundige visie openbaart. Hij heeft daarvoor nu toch genoeg tijd.