Wat zit er aan een koffiepot?

Er zou een apart woordenboekje te maken zijn met Nederlandse volkswoorden voor ‘politieagent’. Van adje tot zwarte kraai.

Dacht ik aanvankelijk dat er zo’n tachtig woorden voor ‘agent’ bestonden, inmiddels staat de teller – met veel dank aan de lezers – al op 120. En zonder twijfel zijn er nog meer woorden te vinden.

De verleiding is groot om die 120 woorden hier kort op te sommen, maar daarmee zou veel smakelijke en interessante informatie verloren gaan. En dus zal ik nog een paar maal op dit onderwerp terugkomen, tot het te veel wordt. Misschien zet ik de complete verzameling te zijner tijd wel in Wikipedia, want het gaat hier om cultureel erfgoed dat een bredere verbreiding verdient.

Maar goed, hier eerst twee woorden die door erg veel lezers werden genoemd: wout en tuut.

Wout is al in 1682 opgetekend, in een klucht in de zin: „Daar is de Krommeriks, met zijn Woutjes.” In 1731 is het voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, achter in het boek Cartouche, of de Gestrafte Booswicht. Het komt hierin voor als woutje, met als betekenis ‘diender’. In vrijwel alle vroege bronnen komt het in de verkleinvorm voor.

Een ‘gendarm te peerd’ werd omstreeks 1890 te Roeselare in West-Vlaanderen een vliegend wouwtje genoemd. Wout is in diverse samenstellingen aangetroffen, waaronder woutekit en woutebureau voor ‘politiebureau’. De herkomst is niet met zekerheid bekend; wellicht gaat het terug op het Middelnederlandse waut of wout, dat ‘macht, gezag’ betekent. Lezers hoorden dit woord, dat ook in de vorm bout voorkomt, de afgelopen decennia onder meer in Den Haag, Doesburg, Eindhoven, Roermond, Schiedam en Utrecht.

Tuut is in 1899 voor het eerst opgetekend, als een Utrechts woord voor ‘agent’. Volgens de Grote Van Dale gaat het hier om een klanknabootsing (‘naar het politiefluitje’), maar in de vroegste bron, uit 1899 dus, staat: „van Latijn tutus = veilig’’.

De meest waarschijnlijke verklaring werd in 1905 gegeven door F.A. Stoett. Zoals eerder gezegd werden kip en kip zonder eieren vroeger veel gebruikt voor ‘agent’. In diverse dialecten werd een kip ook wel een tuut genoemd, en in 1885 schreef een taaltijdschrift: „Meestal roept men de kippen bij elkaar met: tuut, tuut, tuut!”

Kortom, tuut voor ‘agent’ was gewoon een woord om kip – dat toen door sommigen als te gewaagd zal zijn ervaren – te vermijden. Tuut is volgens diverse lezers nog steeds gangbaar in Utrecht, en verder is het onder meer gesignaleerd in Assen, Driebergen, Eindhoven, Groningen, Hilversum en Woerden.

In Zwijndrecht zongen kinderen omstreeks 1951 zachtjes, als er een agent voorbij fietste: „Tuut, tuut, bellezak/ zeven centen pruimtabak”, dan wel: „…zeven centen krentebak”.

Een wijdverbreid zinnetje om te waarschuwen dat er een agent aankwam, luidde: „Wat zit er aan een koffiepot (of koffiekan)? Een tuut!” In Utrecht riepen kinderen in de jaren vijftig ook wel: „Tuut, tuut, tuut in de koffiekan, wat kan die man?” En in Hilversum waarschuwden kinderen elkaar omstreeks 1958 door te roepen: „Tuut, tuut! zei de koffieketel.”

Zoals eerder gezegd: veel van dit materiaal roept een land op dat van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen.

Reacties naar sanders@nrc.nl